Kroegverhalen

Horecaverhalen van toen: “Willem Slok was een soort thuiskomen”

Ik had afgesproken met haar bij Le Journal op de Neude. Naar aanleiding van mijn stukjes voor De NUK wilde ze dat ik ook wat schreef over Willem Slok in de Korte Koestraat. ‘Mijn oude huiskamer’ had ze het café genoemd, ‘het ziet er tegenwoordig nog bijna net zo uit als toen.’ 

‘En wanneer was toen,’ vroeg ik. 

‘Nou, ja, begin jaren zeventig, denk ik.’ 

‘Toen je een jaar of twintig was.’ 

‘Nee, we gaan niet slim doen, we hadden afgesproken dat mijn leeftijd er niet toe doet. Afblijven.’ 

Na mijn verontschuldiging bestelde ik nog twee koffie. Het was best moeilijk om de aandacht te krijgen van de twee jonge dames achter de bar. Ergens achterin zat een man met schorre stem een verhaal te vertellen waar luid om gelachen werd. Een van de twee meisjes was bij het koffieapparaat met de stoomhendel de melk aan het opdikken in een metalen melkkan, wat een pokkenherrie maakte. In de hoek bij de ingang waren een paar mannen stevig aan het doordrinken met ieder wel drie volle glazen bier voor hun neus. Ze maakte aangeschoten kabaal. Het moest nota bene nog twaalf uur worden. Er hing spanning in de lucht, zomerse spanning, die tot na middernacht kon blijven doorrommelen als een onweer in de verte, met later op de avond dronken vechtpartijtjes en veel geschreeuw op straat. 

Mijn dame was even afgeleid en ik kon haar wat beter bekijken: grijsblond haar, beetje grote ogen achter licht roze glazen in een klassiek ray-ban montuur, strak gezicht, kleine tache de beauté boven haar rechter mondhoek, ferme boezem in een charmant, mouwloos bloesje. Ze had er de mooie armen voor. Ondanks haar leeftijd kreeg ze nog genoeg aandacht van het manvolk om haar heen. Na de koffie besloten we om samen naar Slok te lopen. For old times sake, al kwam ik er zelf haast nooit. 

Het was half juni en warm, de terrassen op de Oude Gracht zaten al vol. We liepen via de Potterstraat en ‘t Vreeburg. Ook bij Slok zaten er een paar mensen op het kleine terras onder de lichtgele markies. Gezellig wel. 

We werden vriendelijk begroet, maar niet als oude bekenden. Tant pis. 

‘Nou, vertel op, waarom was dit je huiskamer?’ vroeg ik toen we ieder achter een chardonnay zaten, zij met twee blokjes ijs, ik zonder. 

‘Als ik klaar was met werken, dat was toen bij de Lubro op de hoek van de Adriaan van Ostadelaan, dan ging ik naar Slok. Was een soort thuiskomen. De meeste mensen van toen, leven niet meer. Willem Slok zelf natuurlijk, en ja, mensen zoals René Onwezen, Juliën Coco, Yvonne Habets en Martin Dijkstra, die zelf later nog café ‘ t Jansdam begon in de stad. Het was bij Slok altijd gezellig, lekker kaarten, toepen of kraken, om een kwartje per kruis. Ach, soms won je een tientje en een andere keer was je vijf knaken kwijt. Ik schoof aan waar het kon en blufte lekker mee. De echte gokkers zaten meer achterin, daar speelde ze soms wel om dertienhonderd gulden. Echt, heb ik zelf gezien hoor. En als de kroeg dichtging, speelden ze door op het dak van hun auto, midden in de nacht. Ik had toen kennis aan een van die jongens, een echte gokker dus. Nee, ik zeg niet wie. We zouden samen op vakantie gaan en hij komt thuis met de boodschap dat hij al ons vakantiegeld had verspeeld. Ik de volgende dag meedoen bij de grote tafel. Ze kende me wel als een bluffertje, maar of ik het ook deed voor het echie? Mij maakte het niet meer uit, want mijn vakantiegeld was toch al verpest. Ik hield het vol. Ook toen ze bij Onwezen thuis nog doorgingen na sluitingstijd. Ik won die dag vijftienhonderd gulden. Onwezen had niet genoeg geld in huis en gaf me zijn stereoinstallatie mee, die had ik achterop mijn fiets gebonden. 

Willem Slok zelf was een soort pater familias. Vaak maakte hij Nassi klaar, anders aten die gokkers helemaal nooit iets fatsoenlijks. Hij deed er biefstuk in, was echt lekker, man. Soms mochten we mee-eten bij hem en zijn vrouw boven. Hij zorgde er ook voor dat er geen ruzie ontstond tussen die gokkers. Dat was af en toe best spannend. 

De meeste tekeningen en schilderijen die er nu hangen, hingen er toen ook. Die portretten van Willem zelf, die kan ik uittekenen. Ik vind die in zwart wit nog het meest lijken. De trap naar boven om bij het toilet te komen. De schilderijen op het plafond. Al die borden, de spiegels en die spreuken. Die lange ets van de stad. Het lijkt een rommeltje, maar het is allemaal best goed verzorgd. Vroeger ook al. Het is net of er niks veranderd is, behalve mijn rimpels dan.’ 

 

Will Jansen

Will Jansen is van juni 1949. Hij gaf eind 1977 de brui aan zijn studie Rechten en begon in februari 1978 met Wouter de Cocq Café de Zaak, wat meteen een groot succes werd. In 1981 stapte De Cocq op en begon de Morgenster aan de Oudegracht. Twee jaar later nam Jansen De Twijfelaar aan 't Wed over en noemde het Orloff. In 1989, na vijf jaar bakkeleien met de fiscus, hing hij zijn kroegbaasschap aan de wilgen.
In '93 begon hij van lieverlee te schrijven, vooral over de horeca. Onder meer voor Horeca Journal, Esquire en Miljonair. Voor dat laatste blad maakte hij samen met Alain Caron reportages van tientallen drie sterren restaurants in heel Europa. Will Jansen schreef twee romans die beiden gedeeltelijk in Utrecht afspelen: Coke en Gladiolen (2001) en De Zelftemmer (2018). In 2003 startte hij zijn eigen culinaire magazine Bouillon.
Samen met zijn vrouw Anka doet hij dat nog steeds: elke drie maanden een nieuwe editie. Ze zijn nu 36 jaar getrouwd en hebben twee kinderen, Boye (35) en Didi (33). Zie ook:
https://bouillonmagazine.nl/

Eén reactie

Reageren
  1. Ja hoor, leren toepen onder Willem’s leiding.
    Maar dat toilet zat toen toch echt beneden onder de trap en, Willem was de tijd ver vooruit, was genderneutraal. D.w.z. voor iedereen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *