Kroegverhalen

Horecaverhalen van toen: Stadsclown Willem Mönnich

Gezicht op de voorgevels van de panden op de Vismarkt (1972) – Het Utrechts Archief

Het nog dunne lentelicht maakte lange schaduwen op ’t Wed. Vanaf Gert van Rossums café De Gaard liep een lijn licht en donker schuin over het asfalt naar Café de Twijfelaar. Achter de bar daar stond de roodharige Joke, die altijd gereserveerd vriendelijk was, behalve als haar compagnon Koos van de Brink naast haar in die kleine ruimte stond, dan was ze nors. Hij speelde altijd de baas, stak nooit een vinger uit en praatte zonder het stompje sigaar uit zijn mond te halen, daar kun je een hekel aan krijgen. Aan de bar hing meneer Hammoen, waar niemand naast ging zitten, want die kon om niks heel kwaad worden. Verder hielden drie schilders twee tafels bezet aan de raamkant. Ze zaten zowat elke dag uren in hun witte overalls aan de koffie en gaven hun peuterige commentaar op de mensen die binnenkwamen. Pas tegen de klok van twee uur vertrokken ze, daarom noemden we ze de nachtschilders. Bij mij achterin zaten vier jonge moeders die net hun kinderen naar school gebracht hadden. Aantrekkelijke vrouwen met bestudeerde gebaartjes, die je toen nog geen Milfs noemde, maar wel in die categorie vielen. Op de vensterbank aan de voorkant zat Mirjam Scheer, de vrouw van de kunstsmid.

Ik keek op door een beweging in het licht. Buiten flitste een whisky-kleurige badjas voorbij. Een tel later ging de deur op een kier en stak Willem Mönnich zijn kop naar binnen.

‘Wie het nog nooit in een telefooncel gedaan heeft, moet nu mee komen.’

De deur ging meteen dicht en de whisky-schim liep weer langs. Hij had blote benen en keek met een grijns bij ons binnen. De punten van zijn snor staken omhoog van de pret.

Binnen keken de schilders elkaar verbaasd aan, de vrouwen grinnikten met knorgeluidjes of proestten het uit. Natuurlijk stootte iemand zijn koffie om.

Pas tien minuten later verdween de vrouw van de edelsmid. Ze was vaker los van schoot en ze hoefde niet ver te lopen. Op de Servaasbrug stond toen nog een telefooncel en Mönnich woonde op nog geen honderd meter van ’t Wed, op de Vismarkt boven bakkerij De Laat. Hoe dat verder afliep, heb ik nooit gehoord. Mönnich was een levensgenieter wiens werkterrein zich uitstrekte van Café De Trechter, Willem Slok, De Gaard, De Twijfelaar, Arie op de brug en de Carafon in de Hamburgerstraat, toen nog het bastion van de legendarische Koos Hoogenboezem. In De Vriendschap van Bob Mayr tegenover De Twijfelaar kwam hij nooit omdat Bobs’ dochter Johanna, hem er een keer met kop en kont uitgesmeten had. Hij had ook een flinke hekel aan de corpsballen die er kwamen biljarten.

Mönnich was een aparte. Hij heeft nog een jaar of zes in café De Zaak gewerkt waar hij zich de rol van eigenaar toebedeelde. Vooral aantrekkelijke vrouwen hadden te lijden van zijn soms grimmige gastvrijheid.

‘Mag ik een verse jus?’

‘Ik ben toch geen groenteboer.’

En dan konden ze op hun kop gaan staan, ze kregen hun glaasje sap niet. Kopje koffie kon weer wel en dan smeerde hij ze vol honing. Hij maakte indruk met zijn grote scala aan Toon Hermansteksten, die hij precies op het goede moment kon oplepelen. ‘En als je geluk hebt, maar dat heb je niet…’ Ik hoor het nu nog.

Aan de pui van zijn forse studentenkamer op de Vismarkt hing hij op een keer twee luidspeakers. Die waren aangesloten op zo’n ouderwetse bandrecorder met geluidstape en twee spoelen. Op een aan elkaar geplakte tape zette hij de tekst: ‘Retteteketetteketèèèt. Als u nog wat kleingeld heeft, gooi dat dan in de brievenbus van nummer 61.’ Die boodschap ging de godganse dag door natuurlijk. De dames van bakkerij De Laat daaronder, werden er gestoord van. De politie kwam de twee speakers van de muur afhalen. Mönnich had toch nog voor bijna twee gulden aan kleingeld binnengehengeld. De volgende dag hingen er twee nieuwe speakers. De tekst was veranderd: ‘Retteteketetteketèèèt. Vandaag geen feest. Maar wie wil mag me een biertje geven. Ik zit in De Twijfelaar.’ Weer kwam de politie ingrijpen. Nu leverde zijn boodschap hem drie gratis biertjes op.

Jaren later had hij zich dankzij een erfenis een cognackleurige Volvo aangeschaft. De politie hield hem om half drie ’s nachts staande op het Domplein, want hij had geen lichten aan. Hij was van De Morgenster op weg naar Antwerpen om te kijken of daar nog wat te doen was. Nee, hij had de agenten niet gezien in zijn achteruitkijkspiegeltje.’Of waren jullie dat met die grote letters eiteloP?’ De rechter die zich later over de zaak boog, droeg hem op om door een arts te laten vaststellen of hij wel zónder alcohol kon autorijden.

Nog jarenlang hingen er dwaze dingen bij hem aan de muur. Vissen in een vogelkooi, een schilderij met blote poppen, en ook een keer een schrift met een potlood aan een lang touw, voor een persoonlijke boodschap. Vooral vrouwen gaven aan dat ze met hem wel naar een feest wilden en gaven het adres op. Zelfs de rondvaart minderde bij zijn huis vaart en wees op zijn gekkigheid, dan had hij net een echte zebrakop buiten gehangen. Later ging hij op tournee met Henk van Ulsen. Hij was de rekwisietenman bij diens voorstelling van Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans. Hij is in 2018 overleden, onze stadsclown.

Will Jansen

Will Jansen is van juni 1949. Hij gaf eind 1977 de brui aan zijn studie Rechten en begon in februari 1978 met Wouter de Cocq Café de Zaak, wat meteen een groot succes werd. In 1981 stapte De Cocq op en begon de Morgenster aan de Oudegracht. Twee jaar later nam Jansen De Twijfelaar aan 't Wed over en noemde het Orloff. In 1989, na vijf jaar bakkeleien met de fiscus, hing hij zijn kroegbaasschap aan de wilgen.
In '93 begon hij van lieverlee te schrijven, vooral over de horeca. Onder meer voor Horeca Journal, Esquire en Miljonair. Voor dat laatste blad maakte hij samen met Alain Caron reportages van tientallen drie sterren restaurants in heel Europa. Will Jansen schreef twee romans die beiden gedeeltelijk in Utrecht afspelen: Coke en Gladiolen (2001) en De Zelftemmer (2018). In 2003 startte hij zijn eigen culinaire magazine Bouillon.
Samen met zijn vrouw Anka doet hij dat nog steeds: elke drie maanden een nieuwe editie. Ze zijn nu 36 jaar getrouwd en hebben twee kinderen, Boye (35) en Didi (33). Zie ook:
https://bouillonmagazine.nl/

6 reacties

Reageren
  1. Ja, deze clown kan ik me nog wel herinneren. Schitterend figuur. Ook een verhaal waard: Hans Mayr, de kok van de Vriendschap. Onvergetelijke avonden in dat restaurant meegemaakt. Fawlty Towers avant la lettre.

  2. “Effe naar De Zaak” Er hing een oud “Lei-tje” waar Mö ( Wim Mönnich) zo nu en dan wat speuken op schreef , deze heb ik onthouden: Hoe kunnen er bergen op een platte grond staan.

  3. Wat super leuk om te lezen… zoveel mooie herinneringen. Die volvo! hij was mooi.
    Wij deden huiswerk in de kroeg en wim hielp graag met de grappigste antwoorden.
    Denk dat je wel een heel boek vol kunt schrijven over de capriolen van Wim.

  4. Een prachtverhaal en nog heel mooi geschreven ook.
    Wat betreft de kok van de Vriendschap; Hans Mayer. Ik at er met mijn vrouw en in het restaurant genoten ook een prins en zijn gezelschap van een biefstuk met patat, sla en gebakken aardappelen. De latere koning van ons land was vriendelijk, maar een van de dames in zijn gezelschap begon luidruchtig te zeuren dat haar biefstuk waar ze toch al zo lang op had moeten wachten -anders dan besteld – championvrij was. Een paar minuten later kwam Hans met een piepklein kokendheet blikje champignons dat hij met een tang vasthield om champignons en champignonwater over de biefstuk uit te storten met de mededeling ‘ als het op is gelijk wegwezen’.

  5. Leuk om die gekke fratsen van Wim weer eens te herleven! Ik weet er ook nog wel een paar…..😂. Was 44 jaar zijn “boven buurvrouw” en woon nu in zijn “studentenkamer”. Overigens Wim stierf 2 september 2017.

  6. Mooie anekdote van Henk Westbroek over Hans Mayr. Ik zie hem nog staan in zijn kleine keukentje, glaasje altijd bij de hand. Dat glaasje had over het algemeen een positieve invloed op de rekening. Het menu was voor mij overzichtelijk maar altijd prima: biefstuk, sla en gebakken aardappelen. Horeca genoeg in de stad maar zo’n zaak vind je nergens meer. Waarom eigenlijk niet?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *