Onze columnisten

Fluitenkruid

Het voorjaar begint als het fluitenkruid bloeit

Een bekende Amsterdamse amateurfilosoof deed ooit de gevleugelde uitspraak dat ieder nadeel ook zo zijn voordeel heeft (hij zei ‘ze voordeel heb’ – hier zouden we ‘ze voordeel heef’ zeggen, maar dat terzijde). Dat nadeel, zo ervoeren we, was een koud en nat voorjaar. Pas in de laatste paar dagen van mei kwam er een einde aan een zich schier eindeloos voortslepende herfst en begon plotseling de zomer. De natuur leek maar niet op gang te komen. De krentenboompjes op de hei bij Laren die de laatste decennia op 1 april staan te bloeien, kwamen pas rond 15 april schuchter in bloei – wat enerzijds verbaast maar anderzijds een teken is van klimaatverandering want in mijn jeugd was medio april hun normale bloeiperiode. Ook dat terzijde.

De kou bleef lang boven ons land hangen. Dikke jassen, sjaals, truien en zelfs handschoenen kenmerkten het straatbeeld. Het verschafte hooguit een beetje troost aan degenen die liever op een terras hadden gezeten. En in de natuur hadden de boomknoppen, de bloesem, de bijen en de planten er ook even geen zin in, net als de krent op de hei bij Laren. Alles wachtte betere tijden af. Maar toen was het ook niet meer te stuiten. De natuur leek te ontploffen.

Voor mij begint het voorjaar als het fluitenkruid bloeit. Fluitenkruid is een zogenoemde schermbloemige, familie van peterselie, worteltjes, venkel en berenklauw. Deze planten bloeien, hun naam verraadt het al, met grote schermen van vele honderden piepkleine bloemetjes. Meestal zijn ze wit, heel soms geel. In ons land is fluitenkruid verreweg de meest voorkomende schermbloemige. Rond 1 mei, maar dit jaar vanaf medio mei, zet het fluitenkruid bermen en slootkanten, oevers en dijktaluds in een romantisch wit waas. Een voile van doorzichtig wit vitrage wordt over het landschap getrokken. De grote natuurschrijver Jac. P. Thijsse, bekend van de vooroorlogse Verkade-albums en oprichter van Natuurmonumenten, omschreef fluitenkruid ooit beeldend als ‘Hollands kant’. Hier stonden alle singeloevers, het hele Zocherpark, er vol mee. Het Hollands kant omzoomde de hele binnenstad met een witte waas. Het kwam dus laat op gang, maar door de kou bleef de bloei ook langer voortduren, zeker een week langer dan gebruikelijk.

De Engelsen, die ooit de wereldzeeën bevoeren, hadden een romantische band met schepen.  Ze hielden van hun machtige oceaanstomers. ‘The ship, she’s a lady’, zo zeiden ze. Ik moest daaraan denken toen ik liep te mijmeren of een stad mannelijk of vrouwelijk is. Stad is een de-woord, dat kan allebei zijn. Soms lijkt een stad ook onzijdig te zijn, je spreekt over ‘het Parijs van de jaren vijftig’. Maar is het nu: Utrecht en zijn bewoners, of Utrecht en háár bewoners? Toen ik onlangs tussen de bossen fluitenkruid in het park langs de singel liep, toen wist ik het. The city, she’s a lady. Haar rokken zijn omzoomd met prachtig kant. 

Een voile van doorzichtig wit vitrage wordt over het landschap getrokken.

Jelle Reumer

Jelle Reumer is een in Utrecht opgeleide bioloog, emeritus hoogleraar paleontologie, columnist (o.a. Trouw en Vroege Vogels) en schrijver, bewoner van de binnenstad en betrokken bij de Actiegroep Binnenstad030.

3 reacties

Reageren
  1. Ik vergeet even alles en ben terug in mij jeugd bij die mooie witte waas fluitekruit. Goed verhaal Jelle. Zopas weer geprobeerd fluitjes te maken met kinderen, mislukt. Misschien moet ik de binnenkant ook nog glad raggen met een bos pijpestrootjes?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *