Hoe is het nu met?

Het mooiste meisje van de stad/Petra Ditewig: Leven als enig kind

Een serie over inspirerende Utrechtse vrouwen die een jaartje ouder worden. Petra Ditweg: “ Door de vrienden van mijn zoon zie ik wat een leuke generatie er nu opgroeit, niet moeilijk doen en alles loopt door elkaar. ”

Mijn “Mooiste Meisjes” interview ik in de regel thuis, een huis zegt vaak veel over de mensen die er wonen. Nu in de lockdown ben ik vaak de enige bezoeker en word ik enthousiast onthaald. Maar Petra Ditewig wilde aanvankelijk niet bij haar thuis afspreken. “Kunnen we niet ergens buiten op een bankje afspreken?” Zij dacht dat een half uurtje wel genoeg zou zijn. Nu weet ik, na bijna negentig “Mooiste Meisjes”, dat we meestal twee uur praten, een leven is niet in een half uurtje verteld. Dus toch maar bij Petra thuis afgesproken, op afstand en handen desinfecteren bij binnenkomst. Mijn komst bleek een aangenaam verzetje: ”Ik word een beetje zurig van het binnen zitten en niet meer op stap gaan wanneer ik dat wil”. 

Petra Ditewig (63), geboren in Veenendaal. “Ik kwam met negen maanden ter wereld, mijn moeder had zeven maanden op bed gelegen tijdens haar zwangerschap en ik bleek een hartafwijking te hebben. Mijn moeder was altijd uitermate voorzichtig met mij. Ik groeide bijna als enig kind op, mijn broer en zus waren twaalf en dertien jaar ouder. Mijn vader was met twaalf jaar van school gegaan maar werkte zich op tot adjunct directeur bij de Hollandia Tricotage Fabriek. Hij was eenman met twee gezichten. Hij was creatief, fotografeerde en ontwikkelde zelf zijn foto’s. Dat was zijn leuke kant, maar de andere kant was een man met hevige angststoornissen. Hij kon heel dwingend zijn,  mijn moeder liep op eieren en probeerde de harmonie te bewaren. Zij kon ons niet altijd beschermen tegen een onredelijke vader, toen mijn broer en zus het huis uitging, bleef ik alleen achter.  Ik voelde mij het doorgeefluik tussen mijn ouders en hun huwelijk kan ik redelijk rampzalig noemen. Toen wij allemaal uit huis waren scheidden ze en dat hadden ze veel eigenlijk veel eerder moeten doen. Dat hebben, wij kinderen, later vaak tegen elkaar gezegd.”

Met haar zus op de uiterwaarden in Rhenen

“Ik had zorgen om mijn ouders die het niet leuk met elkaar hadden en met die zorg groeide ik op”

“Toen ik drie was verhuisden we naar Rhenen, ik was graag buiten en ging, zodra ik aan mijn moeder kon ontsnappen, op stap. Ik vond het heerlijk om met mensen die ik onderweg tegenkwam te praten, thuis was het maar stil. Mijn vader werd gemiddeld twee maal per jaar opgenomen. Ik had zorgen om mijn ouders die het niet leuk met elkaar hadden en met die zorg groeide ik op.  Na de lagere school ging ik naar de Christelijke Mavo in Rhenen. Ik was vaak te vinden  op een rolschaatspleintje tussen de flats in Rhenen waar de jongens met brommers van de LTS zich verzamelden. Nu zou je mij een “hangjongere” genoemd hebben. Ik werd van de Mavo gestuurd,  ik was geen ‘’aanwinst “ voor de klas en leidde mijn medeleerlingen te veel af. Vervolgens ging ik naar de LEAO en maakte op de IVO-Mavo mijn middelbare school af. Daar was ik met gelijkgestemden,  leerlingen die via een omweg toch een diploma wilden halen. Daarna deed ik Schoevers, mijn ouders dachten dat ik mij daar wel rustig zou houden.  Ik vond mijzelf terug in een pension waar een moeder met haar dochter de scepter zwaaiden. Ik liet het gebeuren, ik was geen kapitein op mijn eigen schip. Na een paar maanden Schoevers ging ik werken als ambulant hulpverlener bij de Johannes Stichting, een revalidatiecentrum voor kinderen en jongvolwassenen en stortte mij in een leven van seks- drugs en rock en roll in Arnhem. Ik vond een plek om te wonen in houten barakken die gebouwd waren voor de “polder-pioniers”, de mannen die de wegen aan hadden gelegd in de nieuwe polder in Dronten. Ik ging naar de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar in Kampen, maar na anderhalf jaar hielden de academie en het heerlijke wonen op.”

Optreden in de Bastaard

“Voor een meisje dat uit de weilanden kwam trok Utrecht meer dan Amsterdam”

 ”Met drie huisgenoten heb ik nog even overwogen om een huis te huren, maar zij waren van “doe maar gewoon”. Ik was bang dat ik het met hen  nooit meer over wereldse zaken zou kunnen hebben: over hoe mijn haar zat of leuke schoenen die ik had gezien. Door een ex-vriendje had ik Utrecht leren kennen en ik wortelde hier. Voor een meisje dat uit de weilanden kwam trok Utrecht meer dan Amsterdam. Ik deed toelatingsexamen voor de Theaterschool in Amsterdam, van de tweehonderd auditanten werden er acht toegelaten en ik zat daarbij. Ik volgde de parttime opleiding voor docent mime en tijdens de eerste les zei de docent:” Het is een leuke opleiding, waar je niets mee gaat verdienen”. Ik had een beurs, maar daarnaast ook allerlei baantjes: van schoonmaken in het Militair Hospitaal tot tomaten plukken in Houten. Ik hou van dit soort dingen omdat ik steeds weer andere mensen tegenkom. 

Ik speelde in De Bastaard waar ik gedichten voordroeg van Fernando Pessoa. Ik trad op in buitenschoolse producties en na drie jaar rondde ik mijn opleiding in Amsterdam af. Ik had leren spelen van uit mijn fysiek. Ik was mij bewust van mijn lichaam en had het leren kennen. Maar mijn docent kreeg gelijk: van het spelen kon je niet leven. Inmiddels had ik verkering en er moest simpelweg geld komen voor een huis. Ik vond een baan bij de Bijenkorf, ik kon makkelijk contact maken met mensen en kon mensen lezen. Dat kwam goed van pas bij de klantenservice. Daarna ging ik bij de Gemeente Utrecht werken op een afdeling die de onteigening van Leidsche Rijn moest regelen. Maar dat was voor mij veel te veel werken binnen je eigen kringentje zonder mensen van buitenaf te ontmoeten. Ik hoorde van een vacature bij de Bibliotheek, aan de balie: boeken innemen, uitlenen en terugzetten. Het lijkt saai maar er werkten zoveel leuke mensen bij de bieb met wie geen dag hetzelfde is. De automatisering werd ingezet en mensen, net zo oud als ik, konden er niet aan wennen. Ik heb 15 jaar gewerkt bij de bibliotheek maar uiteindelijk veranderde er voor mij te weinig.”

Op de mime-opleiding in Amsterdam

“We zijn beiden zuinig op de vrienden die wij hebben en bewaren graag de harmonie”

“Toen ik negenenvijftig was kon ik “eruit” met een vaststellingsovereenkomst. Mensen vonden mij grenzeloos dapper. Ik kon een coach krijgen via het UWV, waar ze ook passend ander werk voor mij zouden vinden. Ik wilde geen coach maar luisterde naar een vriend die zei: “Laat het UWV los. Draai het om, waar zou jij nou nog graag willen werken?” Ik zag een advertentie van COS, schreef de gekste sollicitatiebrief die ik ooit had geschreven, werd uitgenodigd en aangenomen. Als ik naar al mijn banen kijk is in een winkel staan het leukste dat ik ooit heb gedaan, al verdient dit het minst.”

“ Ik voel mij als een vis in het water, hoe had ik naar deze sfeer gesmacht.” 

“ Ik kwam binnen in de personeelskamer en het voelde als een warm bad. Het klikte met de mensen, een heel divers team waarvan ik de oudste ben. Ze gaan op een heel andere manier met je om dan ik in de bieb gewend was. Ik voel mij als een vis in het water, hoe had ik naar deze sfeer gesmacht. Het is gezellig op de werkvloer, de contacten met de klanten, soms vluchtig maar soms bouw je ook een band op met vaste klanten. Toen kwam Corona, heel anders werken: niemand aanraken,  afstand houden en niet meer helpen met het strikken van een voorpand. Het vergde  “omdenken” en ik voelde mij een beetje zurig.  Had ik er zestig jaar overgedaan om mij zo happy te voelen en dan gebeurt dit. Ik ben zuinig op mijn gezondheid, omdat ik een mechanische hartklep heb. Ik wist dat dit ooit zou moeten door de hartafwijking die ik sinds mijn geboorte heb. Na de geboorte van onze zoon, rond mijn dertigste was het zo ver. Mijn cardioloog raadde het mij af om een tweede kind te krijgen. Onze zoon groeide op als ik ook opgroeide, als enig kind. Wij voelen ons kwetsbaar, bang om iets verkeerds te zeggen waardoor je vrienden kan verliezen. Dus zijn we beiden zuinig op de vrienden die wij hebben en bewaren graag de harmonie . Ik sta altijd klaar voor mijn vrienden, maar regel liever een uitstapje dan de thuiszorg. Misschien wel omdat mijn “zorgpot” een beetje opraakt en ik een beetje uitgezorgd ben. Maar ik blijf het type dat het liefst met een zwaailicht op mijn hoofd ergens naartoe wil rennen als er iets aan de hand is. Maar ik merk dat alles wel op zijn pootjes terecht komt ook als ik er niet ben.”  

Hoe is het om ouder te worden?  

“Leuk maar ook ingewikkeld. Het schiet op en ik loop soms vooruit in beelden. Ik heb nu eenmaal een levendige fantasie en zie doemscenario’s: zoals opgesloten zitten, of slecht ter been zijn. Ik denk maar dat deze Corona-tijd er is om vast een beetje te wennen, te oefenen, voor later  wanneer vrijheid niet meer zo vanzelfsprekend is. Als ik de kans krijg ben ik nog steeds heel uithuizig. Door de vrienden van mijn zoon zie ik wat een leuke generatie er nu opgroeit, niet moeilijk doen en alles loopt door elkaar. In mijn jeugd had je soulkikkers en blueskikkers en de een ging niet met de ander om.”  

Wat is je geheim?  

‘’Humor en leuke tastbare dingen. Humor redt mij omdat ik ook wel eens zuur kan zijn en mij, bijna autistisch, als een terriër ergens in vast kan bijten. Leuke dingen, zoals mooie schoenen kopen in de stad, wanneer ik mij niet goed voel. Mij plaatsvervangend trots voelen op mensen met een randje  of op mensen die creatief in het leven staan. Blijven praten, blijven spelen  en blijven werken.”  

Is je stijl veranderd?  

“Ik draag van jongs af aan mijn haar kort. Wat kleding betreft heb ik allerlei stijlen kleding gedragen. Veel veranderd maar ik ben weer terug bij de broek en de trui. Kleren die te veel waren, te veel motieven of te vrouwelijk, daar heb ik mij altijd een beetje verkleed in gevoeld. Ik kleed mij nu meer mannelijk en ik heb geen specifieke vrouwelijke kleding, zoals een rok, nodig om mij vrouw te voelen. Mijn stijl: een soort stoerigheid, niet te opgedirkt”.  

Yoga, tennis of bridge?  

“Geen van drieën. Ik heb geen rijbewijs en geen auto, ik doe alles op de fiets of met het OV. Maar nu loop ik veel.”  

Waar zie je jezelf over tien jaar?  

“ Ik woon op het Smakkelaarsveld op de bovenste verdieping van het appartementencomplex dat nu in aanbouw is. Of in een tiny house bij een boer op het erf met kippen, katten en een hond. Ik ben het platteland ook weer gaan waarderen. Ik hoop dat ik nog actief kan blijven staan in de winkel omdat er een groot verschil is tussen wel en niet werken.”  

Wat vind je van de Utrechtse vrouw?  

“ Ze kleden zich over het algemeen op safe en erg voorzichtig. Ze laten hun oren hangen naar hetgeen hun vriendinnen, zusjes of mannen zeggen. Daardoor krijg je een eenduidig straatbeeld, niet te uitbundig maar soms op een eigenaardige manier te jeugdig. Amsterdam is zo anders daar durven vrouwen kleding te dragen die in het oog springt. Het is net zo als die afgebladderde deur in dat dorpje in de Provence waar je een foto van neemt. Maar oh wee, wanneer je buurman zijn deur niet keurig heeft geschilderd.”  

Aan wie geef jij het stokje door?  

“ Aan Ilse Knook-Serkei, zij is veelzijdig en een bron van inspiratie. 

Yontie Helders

Eén reactie

Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *