Onze columnisten

Bij pa achterop de fiets

In de jaren vijftig van de vorige eeuw verplaatste de mens zich hoofdzakelijk te voet of met de fiets. In de straten reden zo goed als geen auto’s. Er stonden hier en daar slechts een paar vehikels geparkeerd.  Het gemotoriseerd verkeer in mijn buurt bestond voornamelijk uit voorbijrijdende bussen van het gemeentelijk vervoerbedrijf Utrecht: GEVU.

Mijn vader was een echte fietsfreak. Toen hij voor de oorlog als militair gelegerd was in de buurt van Den Helder, zag hij er niet tegenop om in het weekend “even” op en neer te fietsen naar Utrecht. Om even bij zijn verkering aan te wippen in de Nicolaasdwarsstraat. In die tijd bezochten mijn vader en ik iedere zaterdag op de fiets een boerenfamilie in Odijk. Dat dorp lag op een uur fietsen van onze flat in het Lodewijk Napoleonplantsoen in Utrecht. Dit wekelijkse bezoek had een tweeledig doel. Ten eerste om de verzekeringspremie bij de boerenfamilie te innen. Mijn vader was in die dagen namelijk agent bij verzekeringsmaatschappij de “Onderlinge ‘s-Gravenhage”. Het was toen gebruikelijk dat premies wekelijks cash aan de deur werden geïncasseerd. 

Het tweede doel van deze fietstocht was het kopen van verse melk en een dito kip bij de boer in kwestie. Achterop de fiets gezeten, met mijn benen aan weerszijden bengelend over twee grote fietstassen, legde ik die afstand naar Odijk en terug af. Het was een ware martelgang, die bij elkaar een uur of drie duurde. Zo zat ik de hele tocht zonder kussentje op een ijzeren bagagedrager. Na een kwartier fietsen deed die drager zich al behoorlijk voelen. Dagen na de rit voelde je nog een afdruk ervan in je benen en je achterste. Eenmaal in Odijk gearriveerd, nadat de verzekeringspremie was geïnd, trok ik samen met pa en de boer naar de kippenren. Aldaar werd voor mijn onervaren ogen een kip bij haar kladden gepakt en zonder omhaal de nek omgedraaid. Tezamen met een aantal flessen verse melk verdween de kip in een van de fietstassen. Ik zie nog de verbaasde blik in de ogen van het arme dier.  Aansluitend werd ik uitgenodigd weer plaats te nemen achterop de fiets en ving de terugtocht naar Utrecht aan. Een reis met opnieuw pijn in mijn achterste en benen. Een tocht met een triest contact van een van mijn ledematen met de nog warme dode kip in de fietstas. Een geheel ander evenement waarbij mijn aanwezigheid steevast op prijs werd gesteld, was de uitdeling van kalenders aan klanten rond de jaarwisseling. Wederom zat ik dan achter op de fiets met de twee grote fietstassen. Nu hadden de kip en de flessen plaatsgemaakt voor een grote partij kalenders van de “Onderlinge”. We toerden vaak in de ijzige kou de halve provincie Utrecht af. Naast dat de klant een voorspoedig nieuwjaar werd toegewenst, ontving hij een kalender cadeau. Aan mij was de eer bij de klant aan te bellen en het geschenk te overhandigen. Daarbij was het wel zaak dat ik op een ontwapenende wijze de nieuwjaarswens overbracht. 

Voor deze job was de keuze op mij gevallen omdat mijn ouders meenden dat mijn verschijning aan de deur extra vertederend werkte en meer kans bood op een mooie fooi. In die tijd bezocht ik namelijk nog regelmatig een vakantiekolonie in de zomer om aan te sterken. Het klantenbestand van mijn vader was zeer divers. Het varieerde van boeren tot hoeren. Het was uitsluitend om die reden dat ik op zeer jonge leeftijd bij laatstgenoemde “dames” over de vloer kwam. “Dames die zich liggend staande hielden”. Ja, zij werden ook door mijn vader gedekt. Verzekeringstechnisch, wel te verstaan.
Ik moet bekennen dat ik daar graag een kalender achterliet. Ook omdat ik toen al “mijn ogen niet in mijn zak had zitten”. Het was bij hen altijd aangenaam warm, er viel wat te zien en zij waren doorgaans heel vriendelijk en gul.Eenmaal van zo’n dag half, zo niet geheel, verkleumd thuis teruggekeerd, werd de dagopbrengst geteld en onder de participanten eerlijk verdeeld.

 

Bert Plomp

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *