Wederopbouw

Els Leicher over “Utrecht Bouwt 1945-1975” en haar jeugd bij het Lodewijk Napoleon Plantsoen

Pierenbadje bij Rietvelds Tjepmahof in 1965 Beeld: Het Utrechts Archief

Toen we in 1954 verhuisden naar Utrecht, kon ik niet vermoeden dat we in een voorbeeldwijk van “de wederopbouw” kwamen te wonen. Het buurtje bij het Lodewijk Napoleonplantsoen wordt nu “Krommerijnpark” genoemd. In het boek “Utrecht Bouwt 1945-1975” vertellen Arjan den Boer, Bettina van Santen en Ronald Willemsen op een aansprekende manier over die tijd in Utrecht na de oorlog: de wederopbouw.

Na de tweede wereldoorlog heerste er een enorme woningnood. Veel woningen in Nederland waren vernield door bombardementen. Maar behalve een tekort aan woningen was er ook een tekort aan geld, materiaal en mankracht. Dat betekende dat de nieuwbouw gereguleerd werd door het toewijzen van aantallen woningen die in een bepaalde gemeente gebouwd mochten worden: de contingenten. Waar de steden het hardst getroffen waren (o.a. Rotterdam) werden de eerste nieuwe woningen gebouwd. De overheid had een sterke regierol in de wederopbouw in Nederland. Dat betekende dat er pas vanaf de jaren vijftig nieuwbouwcontingenten werden toegewezen aan Utrecht. In de beginperiode ontstond de nieuwbouw in Hoograven en Tolsteeg, o.a. van Gerrit Rietveld en het buurtje aan de Kromme Rijn.

“Wilhelminapark voor iedereen”

De visie op het Uitbreidingsplan Kromme Rijn was een “Wilhelminapark voor iedereen”: wonen in het groen, haalbaar voor alle lagen van de bevolking. Beide rivieroevers werden rijkelijk voorzien van groen en er verrezen zowel flats en eengezinswoningen (sociale huur) als vrijstaande villa’s en luxe appartementen (Stadionflat). Door de woonblokken aan het Lodewijk Napoleonplantsoen en de Rubenslaan in een “kamstructuur” te bouwen was het uitzicht op het groen en het water niet alleen voorbehouden aan de voorste rij woningen. De rijtjeshuizen achter de villa’s aan de Breitnerlaan kregen hun woonkamer daarom op de eerste verdieping. Zo ontstond, volgens de stedenbouwkundigen, een “democratische buitenplaats” aan de Kromme Rijn. De werkelijkheid was net even anders: in de eengezinswoningen aan de Bosch van Drakesteinlaan woonden de onderwijzer, de apotheker, de directeur en de hogere ambtenaar, in de flats van het Lodewijk Napoleonplantsoen woonden de lagere ambtenaren. En de echte rijke mensen woonden in een bungalow aan de Breitnerlaan (waar Rietveld ook nog twee woningen gebouwd heeft).
Sociaal gezien was de verzuiling in de jaren vijftig nog zeer sterk aanwezig (scholen, vrienden en kennissen), maar dat gold al niet meer voor de winkels aan het pleintje bij het Lodewijk Napoleonplantsoen, waar de groenteboer, de visboer, de melkboer, de kruidenier, de sigarenzaak annex postagentschap en de drogist gebroederlijk naast elkaar zaten, zonder dat we wisten welk geloof ze aanhingen.

De eerste zelfbedieningszaak in Utrecht werd geopend: de Kijkgrijp

Wij woonden aan de Bosch van Drakesteinlaan, op de hoek. Enkel glas en één kachel in de woonkamer. IJssterren op de ramen ’s winters. Strenge winters, dus schaatsen heb ik geleerd op de Kromme Rijn, waar de buurman in 1956 een schaatsbaantje had gemaakt. De Fockema Andreaelaan en de Ina Boudier Bakkerlaan bestonden nog niet. Naar school (de katholieke Aloysiusschool aan de Notebomenlaan) ging ik op de fiets via de Adriaen van Ostadelaan. Mijn vriendinnetje had geen fiets, dus die mocht achterop mijn spatbord zitten. Wist ik veel dat die fiets daar niet op gebouwd was. Na twee keer achterop brak de fiets in tweeën. Gelukkig was er een fietsenmaker op de Adriaen van Ostadelaan. Ik zal hem nooit vergeten, want hij had een glazen oog in een andere kleur dan zijn eigen oog, een blauwe overall en een alpinopet op zijn hoofd.
Waar nu de Fockema Andreaelaan is, was toen een grote tuinderij. Dat je de rabarber die daar stond niet zomaar mocht plukken, begreep ik pas toen ik er heel trots mee thuis kwam. Spelen deden we op het fantastische groene speelveld voor de deur, rolschaatsen op het plein en wandelen langs het Jaagpad naar Rhijnauwen. Een heerlijke jeugd. Naar de bibliotheek gingen we op een gegeven moment naar Tolsteeg/Hoograven, waar eind jaren vijftig op het Smaragdplein een moderne bibliotheek werd gebouwd. Ook werd daar in die tijd de eerste zelfbedieningszaak in Utrecht geopend: de Kijkgrijp.

Els Leicher op een Rietveld-trap in de Robijnhof Beeld: Renzo Gerritsen

Gevarieerde buurtjes die qua opzet herhaald konden worden

De beroemde architect Gerrit Rietveld mocht als een van de eersten in Utrecht een grote uitbreiding in Hoograven en later in Tolsteeg realiseren. De wijkopbouw was naast de fysieke omgeving een belangrijke ontwerpopgave voor de stedenbouwkundigen en architecten van die tijd. Kleine wijkjes of buurten werden gevarieerd gebouwd en alle voorzieningen moesten in de wijk aanwezig zijn: winkels, scholen, kerken en speelgelegenheid. In Hoograven (Tjepmahof, Rijnesteinhof) en Tolsteeg (Robijnhof), waar er zogenaamde stedenbouwkundige stempels ontstonden: gevarieerde buurtjes die qua opzet herhaald konden worden. De Bo-Ex heeft alle Rietveldflats en woningen in Hoograven en Tolsteeg gerenoveerd. In Tolsteeg, de Robijnhof, is zelfs een museumwoning die één zondag per maand te bezichtigen is (via het Centraal Museum). Voor mij is die woning een feest der herkenning: Pastoestoelen en een lavet. Die hadden wij thuis namelijk ook. Ons huis was binnen veel moderner dan dat van mijn vriendinnetjes. Mijn vader was architect en ons huis was ingericht volgens de principes van “goed wonen”: geen vitrages, Ploeg gordijnen en Pastoemeubelen. Als ik bij een vriendinnetje thuis kwam verbaasde ik me over de zware meubelen en Perzische kleedjes. Ik dacht dat alleen opa’s en oma’s zo’n interieur hadden….

Ook boft Utrecht met een schrijver als Arjan den Boer

Gelukkig is er van de wederopbouwarchitectuur in Utrecht veel bewaard gebleven. Niet in de laatste plaats dankzij de inspanningen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, waar een van de schrijvers van het boek, Bettina van Santen werkt. Veel woningen uit die tijd zijn op de gemeentelijke monumentenlijst gezet. Ook boft Utrecht met een schrijver als Arjan den Boer. Wie leest niet zijn boeiende stukken over vergeten gebouwen, toegepaste kunst op gebouwen en verdwenen musea in de stad? Samen met de architect Ronald Willemsen hebben zij een prachtig leesbaar boek gemaakt, met veel interessante foto’s. Van Hoograven tot en met Overvecht en Hoog Catharijne.
Niet alleen ik, maar ook alle andere kinderen van de belangrijke Utrechtse architecten zijn voor het boek geïnterviewd. Dat vleugje “human interest” maakt het boek nog leuker. Het boek Utrecht Bouwt is te koop in de Utrechtse boekhandels. Ik zeg: ga het snel kopen!

Els Leicher (70) is sinds 1954 bewoonster van Utrecht. Na haar opleiding Architectonische Vormgeving heeft zij 10 jaar bij haar vader op zijn architectenbureau gewerkt. Daarna was zij werkzaam bij de gemeente Utrecht, in de stadsvernieuwing en op wijkbureau Oost en Binnenstad.

Winkelcentrum Rijnbaan (Kanaleneiland), ontwerp van Jop Leicher Beeld: Het Utrechts Archief

.

Architect Jop Leicher, Els’ vader Beeld:F.F. van der Werf, Het Utrechts Archief

5 reacties

Reageren
  1. Wat leuk om dit te lezen Els, op het Robijnhof heeft mijn zuster, een tante en haar dochter gewoond. En in 1e instantie met lavet maar die haalde mijn zwager eruit om er een douche in te maken.

  2. Ik woonde in de wulverhorstlaan 15 jaar Lang in het badje van de reinestijnhof hebben wij als kind veel gespeeld. Toen mijn moeder weduwe werd heeft zij nog op het pleintje gewoond! 👍👍

  3. Ik woonde zelf op de Bosch van Drakensteinlaan 12 en ik heb er een meer dan geweldige jeugd gekend kan ik melden.

  4. Wat een boeiend verhaal. Als ik dit lees vind ik het jammer dat ik niet in Utrecht getogen ben. Dan heb je zoveel meer met de stad en haar bewoners, zoals jij Els.

    Ik laat me graag rondleiden door de Rietveldflats in Hoograven!

    Heins

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *