De keuzes van Japke -d. Bouma

Japke-d. Bouma: “Als lezer van mijn columns moet je sterk in je schoenen staan, jezelf niet te serieus nemen”

Japke-d. Bouma

In deze rubriek vragen we Utrechters keuzes te maken binnen hun vakgebied, maar ook daarbuiten. Vandaag Japke-d. Bouma, journalist.

Het is zondagochtend en ik heb met Japke-d. Bouma afgesproken in het Louis Hartlooper Complex, haar lievelingsplek. #Lovemyjob, haar laatste boek staat op dat moment al een paar weken op nummer 1 in de non-fictie top 10 van boekhandel Broese. Het zijn haar gebundelde columns over kantoor en werk van de afgelopen 11 jaar, die wekelijks in NRC verschenen  en waarin zij de meest uiteenlopende onderwerpen op humoristische wijze bespreekt. Ik zag haar ooit in een talkshow van de Nuk in de Bibliotheek en ik moest toen zo lachen dat een vrouw achter mij zuur opmerkte ‘Nou, zo leuk is het allemaal niet’.

Japke-d. Bouma (1970), geboren in Arnhem, groeide op met haar vier jaar oudere zus. Haar vader is een Fries en haar moeder, in 2022 overleden, was een Groningse. “Mijn moeder heeft altijd de sterke overtuiging  gevoeld haar geboortegrond in de veenkoloniën  te verlaten, niet de Drentse kant met het zand, maar de grauwe grijze kleikant waar aardappels werden geteeld op eindeloze vlaktes vol troosteloze ellende. Dat was in Stadskanaal en zij wilde daar altijd weg. Ook om zich te ontworstelen aan haar ouders van wie zij niet mocht studeren. Mijn ouders hebben elkaar leren kennen op de politieschool, mijn vader was net klaar met zijn opleiding, toen mijn moeder startte. Mijn vader zat in een kosthuis in Zandvoort, dichtbij zijn werk. Hij vond Zandvoort verschrikkelijk, een troosteloos geheel in de winter. In de zomer vond hij het al helemaal ellendig met overal helmgras en hij heeft niets met de zee. Mijn ouders kregen verkering en mijn moeder zei: ‘’Weet je waar wij naar toe gaan? Wij gaan naar Arnhem”. Dat zei ze  niet zomaar, zij plande alles. Ze ging, zeven jaar oud, op schoolreisje uit Stadskanaal met de bus naar kasteel Roosendaal in Arnhem. Ze vond de omgeving zo mooi, dat ze zich die altijd was blijven herinneren. Mijn ouders gingen samen kijken in Arnhem en dat had ze heel slim voorbereid. Ze wachtte een mooie dag af en wanneer je dan uit de trein stapt is Arnhem fantastisch, de singels, de lange allées en de fonteinen. “Dit doen we”, riep mijn vader. En daar ben ik geboren, in dat Arnhem.”

“Je kan er beter voor zorgen dat mensen in jouw bootje zitten”

“Wat voor soort kind je bent, wordt bepaald door de rol die je in het gezin krijgt toebedeeld. Mijn oudere zus was een heel druk, actief type, enorm recht door zee  en altijd bezig. Ik ontdekte dat haar onsubtiele aanpak niet altijd werkte en werd daardoor berekenender, opportunistischer, zo je wilt.  Ik dacht: dit is slimmer, hier kom ik verder mee. Mijn zus wilde bijvoorbeeld kleedgeld, maar ik had gezien dat ik beter met mijn moeder de stad in kon gaan, dan kreeg je veel meer. Ik was denk ik toen al aan het bestuderen hoe dat werkt en hoe je je het beste kan gedragen. Noem het pragmatisch, daar waar je later op je werk ook veel aan hebt: de juiste gelegenheid aangrijpen om iets te bereiken. Bij vrouwen heet dat trouwens manipulatief en bij mannen strategisch. Ik gedroeg me dus  diplomatieker en zag dat je met een grapje de spanning uit iets weg kon halen. Mijn vader was ook wel zo, meer schipperend, minder rechtlijnig, en ook ik kon daar wel wat mee. Zo had mijn zus vaak ruzie met het hoofd van de school en realiseerde ik me  dat ik meer ruimte kreeg wanneer ik gewoon aardig deed tegen deze vrouw. Ik vond haar overigens ook heel leuk, dus dat was makkelijk. Je kan er beter voor zorgen dat mensen in jouw bootje zitten.”

“In Groningen ging voor mij meteen de zon op”

“Mijn moeder had nooit de kans gekregen om te studeren en zij wilde absoluut dat ik dat wel zou gaan doen. Wanneer je de kans krijgt, moet je dat gaan doen, zei ze altijd. Het maakte niet uit waar, als ik maar naar de universiteit ging. Ik had geen idee,  vond de HEAO ook best maar door mijn moeder moest ik me op universiteiten oriënteren. Ze zei: ga maar economie studeren, daar kan je altijd iets mee. Dat kon in Amsterdam, Maastricht, Groningen en Rotterdam. Maastricht viel al snel af, dat vonden we niks, in een noordelijk huishouden. Carnaval, brrr, waren de Limburgers wel te vertrouwen? Amsterdam was in mijn ogen  een opgeklopte in zichzelf gekeerde bende met de grachtengordel waar iedereen elkaar in de gaten houdt – wat nog steeds zo is trouwens. En dus bleven Rotterdam en Groningen  over. In Rotterdam zag ik een troosteloze grote en grijze campus op een  industrieterrein aan de rand van de stad. In Groningen ging voor mij meteen de zon op. Dat had mijn moeder ook weer perfect voorbereid. We gingen iets drinken en eten in een tearoom, wij die altijd een boterham meenamen in een zakje. Maar nu aten en dronken we iets in die tearoom, wat een luxe. Die stad en ik, het was liefde op het eerste gezicht. Groningen is mijn grote liefde gebleven, het uitgaansleven, al die cultuur midden in het ommeland, met mensen die iets wilden maken van hun leven, of nou ja, zo voelde het voor mij. Ik maakte daar vrienden voor mijn verdere leven.

“Een tien blijft je altijd bij, die is cruciaal”

“Mijn beste vriend Hugo werkte voor het Economisch Magazine, het krantje van de economische faculteit. Hij vroeg of ik het leuk vond om  stukjes te schrijven voor het blad. Schrijven? Daar had ik nooit zo over nagedacht. Ik had wel ooit voor Nederlands een tien gekregen voor een boekbespreking. Een tien blijft je altijd bij, die is cruciaal. Maar stukken schrijven, dat was toch wel weer een ander verhaal. Hugo was goed in advertenties werven voor het blad en hij haalde bakken geld binnen.  Daardoor veranderden we van een afzichtelijk zwart/wit blaadje in een full colour glossy. We hadden een  vormgever, een fotograaf en een heel stel leuke mensen. Ik mocht overal over schrijven, eigenlijk wat ik nu nog steeds doe. Daarna  was het weer Hugo die mij wees op de  Postdoctorale Opleiding Dagbladjournalistiek aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Of dat niks voor mij was. Er werden maar 20 mensen per jaar aangenomen en tot mijn grote verrassing was ik daar één van. We moesten met elkaar zes maanden lang elke dag een krant maken. Het was meteen ontzettend leuk en Rotterdam paste op dat moment wel bij mij. De metro en perron 0, met drugsverslaafden en zwervers – wat een wereldstad. Ik had nog nooit van mijn leven een zwerver gezien. De Erasmusbrug die ik binnen zag varen en het vervallen Hotel New York dat werd opgeknapt en één van mijn favoriete plekken zou blijven. De mentaliteit van de Rotterdammers beviel me: als er iets niet werkt in de stad dan gaan we het fiksen. Klaar met mijn opleiding liep ik stage bij het AD, maar ik werd nergens aangenomen. Ik heb zelfs bij de chocoladeletter krant De Telegraaf gesolliciteerd!  Uiteindelijk vond ik  een baantje op de kook en serviezen afdeling van de Bijenkorf. Ik deed het goed bij de chique klanten. Klantvriendelijk zijn en eerlijkheid over de dure spullen. Ik had algemene economie en bedrijfseconomie gestudeerd. Misschien zat er wel een managementfunctie in bij de Bijenkorf maar ik zag mijzelf geen carrière in een bedrijf maken.”

“Even dacht ik nog dat ik zwanger was maar ik was misselijk van het werk”

“Toen, in 1994, kwam ik bij een softwarebedrijf terecht, toch een bedrijf en mijn eerste echte baan, via een uitzendbureau. Ze ontwikkelden elektronische kaarten en simulatiespellen, waaronder eentje voor  Rotterdamse havenloodsen. Het werd mijn eerste kennismaking met de kantoortuin. Wat moest ik daar doen? Ik, die niet eens kon werken met WORD, ik werkte met allemaal nerds , It’ers en mensen die Javascript en andere onbegrijpelijke programmeertaal tot in de finesses beheersten. Ik vond de collega’s geweldig, maar had zo’n weerzin opgebouwd tegen het werk dat ik ’s ochtend moest overgeven bij het idee dat ik daar naartoe moest. Ik dacht nog even dat ik zwanger was, maar het was die plek. Uiteindelijk heb ik ontslag genomen  en werd ik freelancer, ik schreef stukjes in opdracht. Daarna kreeg ik via via een tweejarig contract bij de Volkskrant, maar dat was een dieptepunt. Wat een zure azijnpissers werken er bij die krant, of nou ja, in die periode dan. Ik weet natuurlijk niet of dat nu nog steeds zo is. Ik was mediaredacteur, maar ik werd na een jaar al ontslagen. Ik solliciteerde bij de NRC, de kwaliteitskrant, de Olympus van de journalistiek vond ik, met hoofdredacteur Folkert Jensma in een eigen kamer. Tijdens mijn sollicitatiegesprek zat ik weggezakt in een bank en droeg een veel te warm pak. Het was een vreselijk gesprek, alles ging mis en ik had thuis nog wel zo geoefend. Maar tot mijn grote verbazing kreeg ik een paar weken later een brief waarin ik werd uitgenodigd voor de functie van mediaredacteur. Folkert Jensma heeft mij voor m’n gevoel nog tijden aan gekeken met een blik van ‘Wat doet die hier’. Ik werd portefeuille-redacteur en schreef over van alles: onderwijs, OV, de leegloop van de provincie en demografie.”

“Ik vond het wel tijd voor een eigen column, zo’n wekelijks stukje met mijn foto erbij”

“In 2006 begonnen we met NRC Next. Met dertig mensen maakten we het rebelse zusje van de sjieke dame. We maakten ons eigen krantje, we waren eigen baas. Ik vond het wel tijd voor een eigen column, zo’n wekelijks stukje met mijn foto erbij. Maar de toenmalige hoofdredacteur vond dat geen goed idee. Uiteindelijk vroeg een vriendin/collega me of ik onderschriften wilde schrijven bij een fotoserie over kantoor. Ik vond het eigenlijk een belediging, dat was toch geen column! Maar ik deed het toch, omdat ik haar zo graag mocht. En juist die ‘column’ groeide uit tot een echte column, die daarna nooit meer is weggeweest. Ik begon met de koffieautomaat. En over “kantoortaal als botox”,  ontleedde de verschillende types die je op kantoor tegenkomt. De geboren leider, de diva en de stagiair, waar niemand iets mee kan. Uiteindelijk werd het de paginagrote column die het nu is, elke week. Nu gaat  het niet meer alleen over kantoortaal maar over het hele ‘leven’  – bevallen, verbouwen, tatoeages, katten, en natuurlijk ook nog steeds over werk.”

“Waarom zou ik alimentatie krijgen, ik heb dezelfde kansen gekregen als hij”

“Als lezer van mijn columns moet je sterk in je schoenen staan, jezelf niet te serieus nemen. Het typetje dat de columns schrijft heeft de lat wel hoog liggen bij de lezer. Ik krijg soms intens gekwetste reacties van mensen. In de trant van: “U bent overal weer veel te snel overheen gewalst” of “mevrouw Bouma weet niet waar ze het over heeft.” “ U leest zeker nooit wetenschappelijke publicaties”. Fans kennen mij nu wel en vinden dat juist  leuk. Het is ook een vorm van zelfkastijding, huilen om je eigen ellende. Ik heb ooit een column geschreven over parttimers, over de grote vooroordelen die mensen over die groep hebben, dat ze de hele dag koffie zitten te drinken en niets doen. Dat leverde een enorme toestand op met al die gekwetste parttimers. “Er is meer in het leven dan werken, ik kies ervoor om bij mijn gezin te zijn”. Natuurlijk is dat ook fijn, maar ik kon mij niet altijd veroorloven om steeds bij mijn dochter te zijn. Toen mijn dochter bijna 5 was zijn haar vader en ik uit elkaar gegaan en vond ik dat ik het zonder alimentatie  ook moest redden. Waarom zou ik alimentatie krijgen, ik heb dezelfde kansen gekregen als hij. Ik kijk met verbazing naar mijn carrière. Ik die nooit wist wat ik wilde gaan doen. Door mijn moeder en door vrienden kwam ik op het pad dat ik nu nog steeds bewandel”.

De keuzes van Japke

Boek

“Mijn favoriete auteur is de Amerikaanse thrillerschrijver Michael Connelly. Zijn eerste boek schreef hij in 1992 en ieder jaar verschijnt er een nieuw boek van hem. De hoofdpersoon in zijn boeken is meestal detective Harry Bosch, door al zijn boeken heen blijf je hem volgen. Maar ook andere personages worden gevolgd,  zoals Mickey Haller, de halfbroer van Harry. Jack McEvoy, een journalist en Rachel Walling, een FBI-agent. Zijn meest recente schepping is agente Renée Ballard, ook weer een gouden greep. De personages worden bijna familie van je, je leeft met ze mee. In Desert Star blijkt  Harry behoorlijk ziek, mijn grote angst is dat hij  dood gaat (hij is inmiddels eind 60, begin 70, dus dat gaat er natuurlijk een keer van komen. De personages leven echt in mij,  het is een eigen universum. Binnenkort hoop ik  Michael Connelly te gaan interviewen en ik heb de hele reeks boeken herlezen. Harry is een heel rechtlijnig type en daar hou ik wel van, hij is een doorzetter, the good guy en gaat door tot het einde.“

“De personages worden bijna familie van je, je leeft met ze mee”

Muziek

“Robert Palmer, Palmer is mijn held op muzikaal gebied. Die man betekent alles voor mij. Hij overleed in 2003. Hij was slim, grappig en ongelooflijk charmant Een gentleman.  Ik had al zijn muziek op cassettebandjes. In zijn teksten zitten zoveel lagen. De mooiste dag in mijn leven was de dag dat ik hem op zag treden in 1993 in Den Haag. Daar was hij dan, een onvergetelijk moment.”

“Die man betekent alles voor mij”

Film

“Groundhog Day. Bill Murray speelt Phil Connors, een man die steeds weer de dag herbeleeft die hij zo haat. Elke ochtend wordt hij op dezelfde dag wakker. Hij is de ultieme cynicus die moet bekennen dat de wereld toch socialer in elkaar zit dan hij wil toegeven. Dat hij het niet allemaal alleen kan, in het dorpje waar hij vastzit ontpopt hij zich tot de grote gangmaker, de sociale spil. Ik kan de hele film uit mijn hoofd opzeggen. Het was met de vader van mijn dochter, op onze allereerste date. dat ik deze film zag. Hoe leuk wil je het hebben op je allereerste date, de allerleukste film ooit zien. Hij vond dat ook en het was meteen het soort humor dat we deelden.”

“Ik kan de hele film uit mijn hoofd opzeggen

Kunstwerk

“Petra in Jordanië. Het moment dat je door de kloof loopt en dan op het einde die prachtige rotsgevel ziet die al 400 voor Christus is gebouwd – je gelooft je ogen niet  en het geeft je een gevoel van nederigheid en een moment om nooit meer te vergeten.”

“Je gelooft je ogen niet  en het geeft je een gevoel van nederigheid”

Stad

“Groningen, natuurlijk! De stad waar ik ben gaan studeren, de stad waar  ik danste, uitging, mijAn beste vrienden tegenkwam en waar ik  kennismaakte met de journalistiek. Met Groningen was het meteen raak, ik was lid van studentenvereniging Albertus en tijdens mijn studie vond ik een grote groep van gelijkgestemden. In Groningen ligt de basis, ook van m’n netwerk voor later.”

“In Groningen ligt de basis, ook van m’n netwerk voor later”

Restaurant

“Zala’s, daar is het eten zo goed en de bediening zo vriendelijk.  Ik neem altijd het verrassingsmenu en het bob arrangement met halve glazen wijn. Ik mag eigenlijk geen alcohol meer, het is zo slecht voor je. Ik ben, als alleenstaande ouder, heel zuinig op mijn gezondheid. Maar vooruit, hier mag het, af en toe.” 

“Bij Zala’s is het eten zo goed en de bediening zo vriendelijk”

Drank

“Koffie, by far. Als ik twee nespresso’s snel achter elkaar drink, heb ik tien minuten later overal zin in en kan mijn dag beginnen. Mijn vader en mijn zus drinken ook altijd koffie, dat zit blijkbaar in ons DNA geëtst. Bij de allerleukste momenten uit mijn leven, hoort koffie.  In het buitenland bestel ik ’s ochtends altijd twee cortado’s met een bakje slagroom ernaast. Daarna kan het leven beginnen.”

“Als ik twee nespresso’s snel achter elkaar drink, heb ik tien minuten later overal zin in en kan mijn dag beginnen.”

Wat zou jij doen als je burgemeester van Utrecht was?

“Zuinig zijn op onze monumenten. Hoog Catharijne is een litteken door de stad. De gebouwen die daarvoor zijn afgebroken komen nooit meer terug. Op de gebouwen die er nu nog zijn en die met zoveel liefde en vakmanschap zijn gemaakt, moet je heel zuinig op zijn. Dat is de heilige plicht die wij hebben.”

“Hoog Catharijne is een litteken door de stad. De gebouwen die daarvoor zijn afgebroken komen nooit meer terug” (foto: Het Utrechts Archief, Uilenbroek, W.H.M.)

Yontie Helders

Eén reactie

Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *