Lexicon Genootschap Kunstliefde 1807-2007

De Dikke Röell: Monument voor Utrechtse kunst

Jaap Röell presenteert een monument voor twee eeuwen Utrechtse kunst (foto: Marcel Gieling)

Niet een nieuw museum, maar wel een monument voor twee eeuwen Utrechtse kunst. Zondag werd het gepresenteerd in de Tuinzaal van het Centraal Museum: het Lexicon Genootschap Kunstliefde 1807-2007, het al lang aangekondigde magnum opus van Jaap Röell. Het is een robuuste casette met drie delen over de 936 sterk verschillende kunstenaars die in twee eeuwen tijd hebben geëxposeerd voor het Utrechtse kunstinstituut. Daar horen Dick Bruna, Joop Moesman, Gerrit Rietveld, Dirkje Kuik en Peter Vos bij. Maar wie had er ooit gehoord van Reinier Craeyvanger, Frans Jan van Heeckeren van Brandsenburg en Helena Elisabeth Kleijnhens?

Jonkheer Jaap Röell werd 80 op de dag van de presentatie van zijn prestigieuze project, afgelopen zondag in de Tuinzaal van het Centraal Museum. Zijn stamboom gaat terug in eeuwen oude adel en voorname bestuurders. Van 2006 tot 2012 was hij voorzitter van het Utrechts Genootschap Kunstliefde. In 2007 vierde hij het grootse feest van het 200-jarig bestaan mee. In die periode kreeg hij veel vragen over allerlei kunstenaars, waarop hij vaak geen antwoord had – lang geleden, vergeten. Het bracht hem tot onderzoeken voor een artikel. Nu zegt hij: ‘En ja, dat is een beetje uit de hand gelopen.’

Hij staat bekend om het koffertje dat hij altijd bij zich draagt. Het is te klein voor het Lexicon, een robuust werk dat in onze tijden van onlinespeuren als een ouderwetse encyclopedie op je afkomt. Zo is het ook precies bedoeld.

In zijn inleiding in deel 1 Proloog deelt Röell graag de centrale gedachte erachter: ‘De vermelde beeldende kunstenaars staan voor mij symbool voor het proberen te grijpen naar het onmogelijke, om met kwast, potlood, klei, beitel, fototoestel of met welk hulpmiddel dan ook de eigen emoties in materialiteit vast te leggen, om met bloed, zweet en tranen en soms ook woede ons (de beschouwers) met gemankeerde schoonheid te confronteren. De een is daar beter in geslaagd dan de ander en sommigen, achteraf gezien, zelfs helemaal niet. Wat zij echter gemeen hebben is dat ze geprobeerd hebben iets te scheppen waar beschouwers blij van worden, zich over verbazen, zich wellicht aan ergeren, waar ze vragen over stellen en vervolgens slechts flarden van antwoorden op krijgen of het resultaat ‘gewoon mooi’ vinden. Deze kunsteaars hebben geprobeerd, elk op hun eigen wijze en met wisselend succes, om iets tot stand te brengen wat veel groter is dan het directe resultaat van hun werk: respect voor de (beeldende) kusten en daarmee hebben ze geprobeer een bijdrage te leveren aan wat ons tot mens maakt.’

Bij de feestelijke presentatie voegde hij daar met een brede glimlach aan toe: ‘Het lexicon leest niet lekker weg. Daar is het ook niet voor bedoeld. Het is een verzameling feiten.’ Daarmee was hij de kritiek voor, na twaalf jaar spitten, ordenen en het beschrijven van de kunstenaars, hun werken, rollen, taken. In alle grondigheid is zo het tweede deel van 820 bladzijden ontstaan. Nee, geen pageturner, wel een secuur naslagwerk vol bekende en onbekende kunstenaars.

Röell oordeelt zelf niet. In plaats daarvan heeft hij gekozen voor het opnemen van recensies. Voorbeeld: de solotentoonstelling van schilderijen en tekeningen van Utrechter Johannes Nicolaas van Empel (1930-1991) bij de Stichting Utrechtse Kring. Onder de kop ‘Hevige ontladingen in Empel’s kunst’ schreef Cor Schilp op 2 juni 1962 in het Nieuw Utrechts Dagblad: ‘Achter deze zweepslagen en stroomversnellingen van verf, een  kolkend spanningsveld van kleur en ritme, grillige samenvoeging van diervormen en vormeloosheden, voelt men hoe dan ook, een innerlijke geladenheid.’

Schilp had 15 jaar eerder fors uitgehaald naar Joop Moesmans bijdrage aan de jubileumtentoonstelling van Kunstliefde in de herfst van 1947. Zijn beroemde doek Het Gerucht met de naakte vrouw op haar fiets en viool op de bagadedrager was vóór de tentoonstelling al weg gehaald, omdat burgemeester Ter Pelkwijk het onzedelijk vond. In het Nieuw Utrechts Dagblad van 1 november 1947 schreef Schilp: ‘Het element sensatie ontbreekt niet en en menigeen wendt zich met ergernis of schouderophalend af van de groep der “surrealisten”. Het heeft wel eens geleken, of heel Kunstliefde onder de demonische bekoring van het surrealisme zou komen, maar het is bij enkelingen gebleven bij wie ’t werkelijk in het bloed zit.’

Zo komen in het Lexicon ook de vele wisselingen van opvattingen voor over de scheppingen voor Kunstliefde – alles van twisten over kunst, wat een zeker verlangen wekt naar meer hedendaags rumoer. Röells vorstelijke werk slaat niet direct in als een bom. Het is wel een ontzaglijke openbaring over hoe veel kunstenaars in twee eeuwen tijd werkzaam zijn geweest en wat er in een grote variatie aan vormen en kwaliteiten door hen is gemaakt.

Ja, er is veel meer voor en na Moesman. Dat is op zijn mooist te zien in deel 3 van het Lexicon met een omvangrijke fotoselectie. Het geeft een breed totaalbeeld aan (zelf)portretten, stadsgezichten, beelden, abstracten, plastieken.

Reinier Craeyvanger schilderde De Stadhuisbrug te Utrecht in 1833 vanuit het perspectief van de huidige Winkel van Sinkel.

Frans Jan van Heeckeren van Brandsenburg deed het in dezelfde tijd ter hoogte van de Bakkerbrug.

De Domtoren, Achter Sint Pieter en de Oudegracht hebben door de twee eeuwen menigeen geïnspireerd. Helena Elisabeth Kleijnhens schilderde in 1899 haar Gezicht op de Maliebaan van het noord-oosten uit gezien.

In analfabetische volgorde gaat het verder met het grillige, semi-abstracte Zelfportret van Dirkje Kuik (2008), het Strandgezicht van Hendrik Willem Mesdag (ca.1881) en Piet Mondriaans Landschap met wilgen aan het Gein, impressie van 1903.

Uit de latere, experimentele sixties komen Eline Peeks Koorddanser – Reactie op het werk van Pyke Koch ca. 1969-1980),

Otto Prinsens Eenheid (1966)

En Peter van Poppels Portret van een abstract schider (Jan Beutener), 1966. 

Van 2016 is het geestige Painter’s block van Erik Rijssemus.

Alain Teisters Zelfportret met goudvissen, 1954 en Erik Suidmans Zelfportret als slager, 2002 staan treffend contrasterend naast elkaar afgebeeld.

Opvallend stadsgezicht is dan weer Dennis Teunissens Afbraak bunker Servaasbolwerk te Utrecht, 2006. Het is voor de afbeeldingen van de prachtige Domdeuren van Theo van de Vathorst, Piet Vermeulens grappige Portret van de schrijver Jan Engelman (1900-1972), 1961 en Erika Vissers Portret van de schilder J.H. Moesman, 1981.

Schitterend, de finale met Sanssouci, 1981-2001 van Dolf Zwerver.

Het is slechts een greep uit een selectie. Hopelijk is er meer van te zien op de komende expositie OVT die Kunstliefde organiseert in oktober en november.

Het Lexicon komt in 2027 beschikbaar in het bestand van het RKD, het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in Den Haag. De luxe casette met de drie delen is niet echt een volksuitgave met een prijs van 125 Euro. Er zijn 230 exemplaren van gemaakt. Voor wie is het bedoeld? Jaap Röell: ‘

Voor bibliotheken, musea, archieven, een enkeling die weet dat zijn opa erin staat, enkele leden van Kunstliefde. En voor mezelf.’

Hij beaamt graag dat het goede promotie is voor Kunstliefde zelf. ‘Tuurlijk, er is geen enkele kunstvereniging als deze, behalve Pulchri in Den Haag en Artie et Amicitiae in Amsterdam. Dit is nog nooit vertoond. Het is zo dat in de negentiende eeuw de kunstverenigingen de enige podia waren, waar mensen hun werk tentoon konden stellen. Het was voor het galeriewezen en de kunsthandel.’

Is het Lexicon geen beperking, waar de Utrechtse kunst ouder is dan 1807 en na 2007 ook verder gaat?

‘Ik ben breder begonnen met Utrechtse kunst. Ik besefte al gauw: dit is een mer-a-boire. Daarom heb ik gekozen voor kunstenaars die bij Kunstliefde hebben tentoongesteld.’

Zo is het geen wandeling door Museum Kunstliefde geworden, maar rondneuzen in de dikke Röell. Een Utrechtse kunstschat.

Laat uw reactie achter

Reactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *