Kroegverhalen

Horecaverhalen van toen: hoe Café Bontan veranderde in familie-café Springhaver

Er waren van die café’s waar je eens in de zoveel tijd langskwam of soms wel iedere dag, maar waar je om een of andere reden never nooit naar binnenging. Ik denk aan de Willemsbar, de Zanzibar, Emo op de Twijnstraat, de ASP-bar, dat soort eigen wereldjes. Als je er al naar binnen durfde, kreeg je meteen allerlei kwetsende opmerkingen naar je hoofd. En achter de bar zat steevast een blonde vrouw met krullen, een forse boezem, priemende ogen en felrode lippen, met in de mondhoek een Belinda. ‘Wat zal het zijn?’ vroeg ze dan, met zo’n tartende toon in haar stem. Beleefd vroeg je of ze sigaretten verkocht. ‘Mag je dan al roken van je moeder?’ Iedereen schor lachen. Hup, ƒ1,25 op de bar en je verdween weer. 

Café Bontan op de Springweg was ook zo’n adres. Daar kwam je niet vanwege de reputatie. Er was nogal eens stront aan de knikker en de wouten waren er niet welkom. Toen kreeg ik een vriendinnetje dat om de hoek woonde, vijftien meter van Bontan vandaan. Dat vriendinnetje wilde voordat we zouden vrijen, graag een glaasje Tia Maria. Dat heb je niet altijd in huis en dus moest ik schoorvoetend toch bij Bontan aankloppen, ’s avonds om een uur of elf. Ik was niet dapper maar wel geil, dus. Omdat ze me door die bezoekjes een beetje kende, ging ik er ook af en toe biljarten. Tussen de linkermuur, een meter of twee van de ronde bar vandaan, en het volkomen versleten biljart, hadden ze een knaak in de houten vloer geplakt. Ja natuurlijk probeerde je die op te rapen. Dat lukte niet. Je kwam met een rood hoofd omhoog en dan sloegen ze elkaar van het lachen aan de bar. Op het biljart zat een bloedvlek, daar mocht je, als je tien over rood speelde, met je stootbal nooit overheen, kostte je een rondje. En altijd stond de politieradio aan, ook zoiets aparts. 

Tegenwoordig heet Bontan Het Springhavercafé. Sinds 1885, staat er in glas en lood boven de deur. Het klopt wel dat het al zowat honderdveertig jaar café is, maar niet met die naam. Springhaver Café heet het sinds Jos Stelling het overnam in 1980. Hij was daarvoor benaderd door de eigenaar van het pand, Jongerius. Het paste ook wel in zijn plannen, want hij wilde meer ruimte om mensen te ontvangen, nadat hij twee jaar eerder twee deuren verderop, op aanraden van de Gestanowitz, de voormalige directeur van Tuschinsky, de diepe winkel in tweedehands spullen had overgenomen, om er zijn art bioscoop in te vestigen. Men vreesde dat het een sex-bioscoop zou worden, dus de zedenpolitie was alert en stond regelmatig op de stoep.  

Stelling zelf praat graag over die tijd. We zitten in zijn monumentale kantoorruimte met forse olifant, pal boven het theater: ‘In het begin was het best rommelig. Op de dag dat ik eigenaar was geworden, werd een vrouw op de stoep voor het café doodgestoken door een andere vrouw. Crime passionel, bleek later. Man, wat een gedoe. Hier bij ons op de eerste verdieping zat het vol met politie, want die mochten bij Bontan niet naar binnen. Zelfs Jannie Bontan zat bij ons. Enfin, we wilden meer rust in de tent. Een stuk of vijf ouwe kerels zaten elke dag aan de bar, beetje zachtjes voor zich uit te kankeren. Maar als er een vrouw binnenkwam, ontwaakten ze en waren ze pas tevreden als die er uit gepest was. En wij wilden juist een café waar een vrouw alleen ook wat kon drinken. Nou goed, met wat aandringen decimeerde dat groepje ouwe kerels. Er bleef er maar één over. Die ging bij de deur zitten, en als er dan een vrouw binnenkwam, kreeg ze de volle laag. Maar dat werd een attractie. Vrouwen kwamen er juist op af. Dus, nou ja, in het begin was er wat agressie. Je had toen ook van die groepjes Marokkanen die lastig kwamen doen. En corpsballen, ook zulk volk dat altijd aandacht moet hebben. We zetten dan gewoon Mozart op, gingen ze vanzelf weg. Ikzelf had niet zo’n zin om in de kroeg te zijn, want als ik er was, moest er altijd van alles gebeuren. In die veertig jaar is het een echt familie-café geworden. Jong, oud, man, vrouw, mooie leestafel, een echte kroeg. En goed vol ook altijd, soms afhankelijk van de film die er draait. Er is eigenlijk niks veranderd in al die jaren. Dat zeggen ook mensen die hier als student kwamen en dertig jaar later wat nostalgie komen opsnuiven. ‘Alles is er nog!’ zeggen ze dan. Ik vind het huiselijke erg aangenaam. Komt ook door het personeel, dat is net een familie. Ik hou van ze en vertel ze ook alles. Ik ga er soms om een uur of elf even lekker een pilsje drinken. Zeker toen Loekie Snatager er nog was. Zaten we tien minuten bij elkaar te zwijgen. Loekie wist heel veel en was op de hoogte van wat er in de stad speelde. Ja, van lieverlee verdwijnen al die types.’ 

 

 

Will Jansen

Will Jansen is van juni 1949. Hij gaf eind 1977 de brui aan zijn studie Rechten en begon in februari 1978 met Wouter de Cocq Café de Zaak, wat meteen een groot succes werd. In 1981 stapte De Cocq op en begon de Morgenster aan de Oudegracht. Twee jaar later nam Jansen De Twijfelaar aan 't Wed over en noemde het Orloff. In 1989, na vijf jaar bakkeleien met de fiscus, hing hij zijn kroegbaasschap aan de wilgen.
In '93 begon hij van lieverlee te schrijven, vooral over de horeca. Onder meer voor Horeca Journal, Esquire en Miljonair. Voor dat laatste blad maakte hij samen met Alain Caron reportages van tientallen drie sterren restaurants in heel Europa. Will Jansen schreef twee romans die beiden gedeeltelijk in Utrecht afspelen: Coke en Gladiolen (2001) en De Zelftemmer (2018). In 2003 startte hij zijn eigen culinaire magazine Bouillon.
Samen met zijn vrouw Anka doet hij dat nog steeds: elke drie maanden een nieuwe editie. Ze zijn nu 36 jaar getrouwd en hebben twee kinderen, Boye (35) en Didi (33). Zie ook:
https://bouillonmagazine.nl/

7 reacties

Reageren
  1. Wie was de vrouw die alleen na een “glaasje” Tia Maria van de fa. Bontan met jou de liefde bedreef Will? (De aap uit de mouw graag.) In een straal van 15 meter? Ik heb jouw foto aan mijn vrouw laten zien…, ze moest nadenken, maar vindt Tia Maria echt niet te drinken (nooit niet).

  2. Jammer dat je ASP (niet “de ASP-bar”) nooit bezocht. Wij gingen daar, als jonge studentjes, naar toe samen met de kroegbaas van een bekend biljartcafé met wat christelijker sluitingstijden.

    Daar kwam alles en iedereen. Heel veel horeca-mensen, hoeren, studenten, irritante BNers, en Hennie Oliemuller. De eigenaar John had eigenlijk een buurtcafeetje bedacht, zo’n beetje om 1 uur dicht. Dat werd 2 uur, 3 uur, vaak 6 uur. Als John er even klaar mee was ging hij aan de andere kant van de bar zitten en mocht ik, stomdronken, de gasten van bier voorzien. Dat was niet alleen een hele eer, maar kennelijk hilarisch genoeg om aardig bij te verdienen aan de fooien. “Geef de muziek ook wat te drinken!” riep John dan, als de muziek al een poosje was stilgevallen. En daarna moest zijn dochtertje nog even naar school gebracht en kwam de leverancier om 11 uur. John maakte onmenselijke uren.

    Opeens ging hij de biertjes die hij gratis weggaf (en dat waren er nogal wat, misschien heb ik er meer gekregen dan betaald) heel nauwkeurig noteren, maar helaas te laat. De belastingdienst heeft de kroeg gesloten, die vinden een aardige kroegeigenaar maar verdacht en sloegen hem kennelijk iets te hard aan voor weggegeven bier.

    John had er ook geen problemen mee toen ik in een slechte periode mijn rekening maanden lang, misschien wel een jaar, liet oplopen. Alle begrip, en pak maar als je een sigaret wil. Toen ik eindelijk wel kon betalen, en een paar honderd gulden extra wilde geven als combi van fooi, rente en dank voor het vertrouwen kostte het serieus moeite om hem dat te laten accepteren.

    Op één fikse matpartij met Engelse hooligans na is er nooit wat raars voorgevallen. Geen drugs, geen enge types, niks. Hij deed bingo’s met bierkaarten, hij organiseerde barbeques voor zijn gasten, regelmatig karaoke, en een hoogtepunt was een excursie naar naar de brouwerij van Bavaria. De hele bus was om 11 uur al lichtelijk aangeschoten. Dan riep iemand “kutstudenten!” en wij “kutburgers!”. Iedereen lachen, en toen moest de rondleiding nog beginnen, over de worteltjes van de graankorrels die verwijderd moesten worden. Iedereen, nou ja vooral de mannelijke gasten, leefde vervolgens ernstig mee met die arme graankorreltjes en hun worteltje.

    John zelf is niet meer onder ons, ik hoop dat er ondanks de wandtegeltjes die het tegendeel beweren er wél bier is in de hemel want dat heeft hij wel verdiend.

    Enfin, er was niets onguurs aan ASP, het was een lief café met dito gasten. Ik zou willen dat ik er nu nog even naartoe kon. Je hebt iets gemist, Will!

  3. Geachte meneer Jansen ,
    Er is en was overal wel wat maar vind het ongepast dat u zonder toestemming mijn moeder zwart maakt u was en bent zelf ook niet clean vriendelijke groet Thea Bontan

  4. Mooie broodje aap verhale meneer wil ,als je iemand zwart wil maken moet je wel de waarheid hebben maar zelf ben je ook geen heilige met je leugens

  5. Thea, effe beter lezen.
    Mijnheer Will citeert de toenmalige nieuwe eigenaar mijnheer Stelling, welke toen kantoor hield boven de kroeg. Dus niet uit ZIJN dikke duim.
    En verder heeft ieder café zijn eigen geschiedenis, zeker voor wat deze kroeg van uw ouders betrof toentertijd. Niets mis mee.
    Tido

  6. ik vondt cafe bontan erg leuk ik kwam er vaak want ik speelde met steef bontan .Want ik woonde op springweg 71 ik heb er vaak een cola gedrokken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *