kroegverhalen

Horecaverhalen van toen: Black Horse Bar, ontmoetingspunt voor neringdoenden

Heel speciaal in de Utrechtse kroegenwereld van de jaren zeventig, was de Black Horse Bar in de Drieharingstraat, van eigenaar John Poot. Het was wat je noemt een ontmoetingspunt voor neringdoenden: kroegbazen, winkeliers, marktkooplui. Ikzelf had een goedlopende herenmodezaak aan de Lijnmarkt en kwam er ook. De Black Horse was klein en donker, met perzische tapijtjes op tafel, klassieke prenten aan de muur, maar vooral donker. Bij het borreluur zat het doorgaans goed vol. Toen Poot de zaak verkocht, verwaterde dat allemaal een beetje en kwam ik er helemaal nooit meer.

Dit deel van de stad, was eigenlijk niet mijn wijk, zeg maar. Voor een biertje ging ik liever naar de Postillion van Arie op de brug. Was ook dichterbij. Oké, ik at vaak bij de Moustache van Frans Fagel en ging natuurlijk voor mijn platen naar Staffhorst. Wie niet eigenlijk? Bij de instrumentenwinkel van Staffhorst kon ik wegmijmeren bij het zien van een mooie saxofoon. Had ik altijd willen leren spelen. Maar er was zoveel wat ik had willen doen, waar het nooit van was gekomen. 

Het was op een warme junimiddag tegen het borreluur dat ik de Black Horse binnenstapte en achterin aan de bar ging zitten. Er was verder nog niemand. Ik bestelde een pilsje en ging de Telegraaf zitten lezen.

Ik keek op toen de deur openging en zag Rutger binnenkomen. Ik had hem jaren niet gezien, maar herkende hem onmiddellijk. Behalve het trekken met zijn linkerbeen, wat natuurlijk iedereen zou herkennen, werd Rutgers bikkelharde, arrogante blik, geaccentueerd door het dunne, strak achterover gekamde haar, dat eindigde in een iel staartje, bijeen gehouden met een grote haarspeld. Hij bestelde een koffie met cognac.

De schok van de herkenning ging vloeiend over in een kristalheldere weerzin. Weerzin die ik voor hem heb gevoeld, vanaf het moment dat ik een kortstondige relatie met zijn zusje Sylvie heb gehad. Ze had me ontmaagd toen ik 23 was. En toen ik in de gaten kreeg dat Rutger haar broer was, wilde ik niks meer met haar te maken hebben, zo’n hekel had ik aan de man die in die tijd in mijn kaartcafé De Carafon altijd de baas liep te spelen. Hij had me me toen apart genomen en me op het hart gedrukt dat ik ‘een beetje rustig aan moest doen met zijn zus en niet moest denken dat ze een of andere Miepie was waar iedereen overheen kon.’ Ik had verbouwereerd afgerekend bij Koos en was onmiddellijk vertrokken. Nooit meer iets van Sylvia gehoord, ook nooit meer naar de Carafon gegaan.

Toen hij de Black Horse binnenkwam, was ik verbaasd over hoe helder die beelden nog waren. Ik verschool me achter de krant en hoopte dat hij mij niet had herkend. Ik had geen behoefte aan hem of aan eventuele verhalen over Sylvie. Ik besloot het er niet op aan te laten komen. Met een kleine, zijwaartse beweging van mijn hoofd gaf ik John te kennen dat ik wilde betalen. Toen kreeg Rutger me in de gaten en kwam direct op me af.

Er zat bloed aan zijn voorhoofd. 

‘Eric,’ riep hij zichtbaar blij.

Ik kon geen enthousiasme veinzen dus mijn ‘Hallo, Rutger’ kwam er tamelijk toonloos uit.

‘Mag ik bij je komen zitten?’

Ik gebaarde dat hij z’n gang kon gaan.

‘Jezus, Eric, hoe is het met jou, jongen. Hoe lang is het geleden dat we elkaar zagen?’

‘Weet je dat je bloed aan je voorhoofd hebt?’

‘Bloed?’

‘Ja, daar,’ wees ik boven zijn rechteroog

Rutger voelde aan de plek, wreef erover en keek naar zijn vingers. 

‘Getver. Even schoonmaken op de wc.’ 

Door de open deur van de kleine wc zag ik hem zijn hoofd en handen grondig wassen waarbij hij, te horen aan zijn gemompel, in een druk gesprek met zichzelf leek. Na een minuut of vijf keerde hij terug.

‘Hoe kwam je daar nou aan?’ vroeg ik, terwijl hij aanschoof.

‘Waaraan?’

‘Nou, aan dat bloed. Verdomme, Rutger, doe niet zo sloom. Het lijkt wel of ik met een junk van doen heb.’

‘Ja sorry hoor,’ verontschuldigde hij zich, ‘ik had net een raar akkefietje in een winkel op de Lijnmarkt. Ik wilde er colberts kopen, maar ze hadden niks naar mijn smaak. Toen ben ik daar haastig weggegaan en heb de deur tegen mijn hoofd aangekregen.’ Hij klokte de cognac achterover en bestelde een nieuwe. ‘Jij nog een biertje?’  

Ik zei ja en stond op.

‘Wat ga je doen?’

‘Even bellen dat ik wat later kom.’

Ik vroeg John om het toestel dat achter de bar stond. 

‘Met Van Hintum Herenmodes, goedemiddag.’

‘Ben jij dat Loes?’ vroeg ik aan mijn vrouw.

‘Ja, ik ben hier naar toe geroepen omdat ze jou niet konden vinden. Waar zit je toch man?’

‘Ik zit in de Black Horse en heb net een vriend van vroeger ontmoet. Maar ik had Dorrestein toch gezegd dat ik even weg was? Heeft hij dat niet doorgegeven?’

‘Dorrestein kan niks doorgeven. Dorrestein is net naar het ziekenhuis gebracht. De een of andere gek heeft hem met een kopstoot tegen de grond geslagen. Ik moet nou ophangen want de politie komt net binnen. Kom je ook hierheen Eric? Ik kan niet én de politie te woord staan én de klanten opvangen.’

‘Ik kom er aan.’

Verbijsterd keek ik naar de hoorn van de telefoon en legde hem zachtjes op de haak. Ik draaide me naar Rutger die in mijn krant zat te lezen.

‘Ik moet even naar de winkel,’ zei ik bibberig, ‘ben zo terug.’

Aan de hand van de verklaringen van een ooggetuige die in de winkel aanwezig was toen Dorrestein werd aangevallen, had Rutger zijn keus laten vallen op een drietal colbertjes. Hij wilde ze niet midden in de winkel passen. Mijn bedrijfsleider, de heer Adriaan Dorrestein, wees hem op een van de grotere pashokjes. Over het eerste colbertje was hij niet tevreden.

‘Het zit me te ruim. Kijk, de revers komen helemaal naar voren,’ had hij kribbig tegen Dorrestein gezegd.

‘U heeft hem ook niet helemaal correct aangetrokken, meneer,’ antwoordde deze met rust in zijn stem en duwde daarbij de schouders wat op. Hij hield over de lengte van de rug twee centimeter stof van het colbert tussen zijn vingers, een verkooptrucje dat oude rotten in het vak vaker toepasten.

‘Ziet u wel? Zo is het al beter.’ Hij bekeek Rutger over diens schouder in de spiegel en knikte hem bemoedigend toe. Maar toen deugde de kleur niet.

Bij de derde keer was de sfeer tussen Rutger en Dorrestein uiterst gespannen. Weer paste mijn bedrijfsleider het trucje toe, toen ook het derde colbert te groot bleek. Plotseling had Rutger zich volgens de ooggetuige omgedraaid en Dorrestein een harde kopstoot bovenop de brug van zijn neus gegeven. Snauwend zou hij tegen de neerzijgende verkoper gezegd hebben:

‘Jij denkt zeker dat ik achterlijk ben. Dat ik niet door heb wat je aan mijn rug staat te fizelieren. Jij denkt, net als je baas trouwens, dat je overal mee weg kunt komen. Maar dat is niet zo, let op mijn woorden.’

Op mijn aanwijzingen heeft de politie Rutger niet veel later kunnen arresteren. Hij zat nog in de Black Horse aan zijn cognac. 

Toen wij, mijn vrouw en ik, ’s avonds in de keuken aan de koffie zaten, vroeg ze met een benauwd stemmetje:

‘Eric, wie is Sylvie?’

‘Sylvie? Ik ken geen Sylvie.’

‘Die man van vanmiddag in de winkel, die man die mijnheer Dorrestein die kopstoot gaf, die zei nog iets over jou en ene Sylvie. Weet je zeker dat je haar niet kent?”

‘Ja, dat weet ik heel zeker.’

‘Oh, nou, dat kan. Die man heeft tegen de politie gezegd dat je zijn zus Sylvie met een kind had laten zitten. Maar dat zou jij toch nooit doen, Eric?’

Ik zweeg.

‘Eric?’

‘Nee, dat zou ik nooit doen. Dat vind ik ordinair.’  

 

Will Jansen

Will Jansen is van juni 1949. Hij gaf eind 1977 de brui aan zijn studie Rechten en begon in februari 1978 met Wouter de Cocq Café de Zaak, wat meteen een groot succes werd. In 1981 stapte De Cocq op en begon de Morgenster aan de Oudegracht. Twee jaar later nam Jansen De Twijfelaar aan 't Wed over en noemde het Orloff. In 1989, na vijf jaar bakkeleien met de fiscus, hing hij zijn kroegbaasschap aan de wilgen.
In '93 begon hij van lieverlee te schrijven, vooral over de horeca. Onder meer voor Horeca Journal, Esquire en Miljonair. Voor dat laatste blad maakte hij samen met Alain Caron reportages van tientallen drie sterren restaurants in heel Europa. Will Jansen schreef twee romans die beiden gedeeltelijk in Utrecht afspelen: Coke en Gladiolen (2001) en De Zelftemmer (2018). In 2003 startte hij zijn eigen culinaire magazine Bouillon.
Samen met zijn vrouw Anka doet hij dat nog steeds: elke drie maanden een nieuwe editie. Ze zijn nu 36 jaar getrouwd en hebben twee kinderen, Boye (35) en Didi (33). Zie ook:
https://bouillonmagazine.nl/

Eén reactie

Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *