Hoe is het nu met?

Het mooiste meisje van de stad/Loeky Hübner: Verre landen

Toen en nu: Loeky met Michael.

Een serie over inspirerende Utrechtse vrouwen die een jaartje ouder worden. Loeky Hübner (63): “Het kan mij soms benauwen dat ik nog maar twintig jaar heb terwijl ik nog zo veel wil doen.”

Nieuw-Guinea, een land waar je bijna niemand over hoort praten. Hoe toevallig is het dan dat ik vorige week voormalig ambassadeur Nol Hermans mocht interviewen en hij mij vertelde dat hij de interessantste tijd van zijn leven in Nieuw-Guinea doorbracht. Als jongen van achttien jaar leefde hij anderhalf jaar tussen de Papoea’s. Deze week interviewde ik Loeky Hübner. Mijn eerste vraag is altijd:”Waar ben je geboren?” Haar antwoord:”In Nieuw-Guinea.” Haar verhaal over het gedwongen vertrek van haar ouders uit dat heerlijke land waar haar vader een nieuw bestaan had opgebouwd is indrukwekkend. Het is het verhaal van velen die in het verre onbekende Nederland door moesten gaan met hun leven.

Vader en moeder ontmoetten elkaar op de boot.

Loeky Hübner geboren in Hollandia, Nieuw Guinea. “Hollandia, nu Jayapura, staat in mijn paspoort als de plaats waar ik geboren ben. Wanneer ik een visum wil aanvragen ben ik geboren in een stad die niet meer bestaat. Mijn vader en moeder beiden geboren op Midden-Java, hadden een Nederlands paspoort. Door de aderen van mijn vader stroomt ergens Duits bloed, gelet op zijn achternaam Hübner. De vader van mijn moeder kwam uit Deventer en haar moeder uit Japan. Mijn oma was naar Java gegaan met een vriendin om daar een Japans theehuis te beginnen. Mijn vroege jeugd, tot een jaar of zes, heb ik in Nieuw-Guinea gewoond. Op de foto’s uit die tijd sta ik in een onderbroek of een dun hemdje, een heerlijke tijd van zon en vrijheid. Mijn vader was in 1950 naar Nieuw-Guinea gegaan, hij wilde weg uit Indonesië na de onafhankelijkheid. De Bersiap-periode, tussen 1945 en 1949, was nog gewelddadiger en gruwelijker dan tijd van Japanse kampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De keus was vertrekken naar Nederland of naar Nieuw-Guinea. Hoewel hij Nederlands sprak en alles over dat verre land wist koos hij voor Nieuw-Guinea, omdat dat meer leek op het land waar hij was geboren. Op de boot ontmoette hij mijn moeder en samen bouwden zij een nieuw bestaan op. Hij sjouwde in de haven als een “koelie”, zag dat de mensen houtskool nodig hadden en begon een handeltje. Mijn vader had zijn opleiding aan de Technische Hogeschool niet af kunnen maken door het uitbreken van de oorlog maar bleef een techneut. Hij kocht machines die de Amerikanen hadden achtergelaten en begon een steenbrekerij.”

Met oudste zus in Nieuw-Guinea.

“In 1962 werd aan Nieuw-Guinea de onafhankelijkheid beloofd maar het land werd ingelijfd door Indonesië”

“Hij boerde goed, bouwde een eigen huis en liet een luxe wagen komen uit Amerika van toen tien duizend gulden. Mijn moeder liet tulpenbollen komen uit Nederland en reed in een Fiat 500. In 1962 werd aan Nieuw-Guinea de onafhankelijkheid beloofd maar het land werd ingelijfd door Indonesië en mijn ouders stonden voor de keus: blijven en als tweederangs burgers beschouwd worden of naar Nederland vertrekken. Ze kozen voor het laatste en mijn moeder vloog met ons, via Tokio, naar Nederland. Mijn vader bleef nog een paar maanden om te proberen nog iets van zijn bedrijf te verkopen, maar het meeste gaf hij weg aan zijn voorman Jozef. Wij waren de eerste vluchtelingen in Nederland, met het grote verschil tussen de vluchtelingen nu dat wij de taal spraken en precies wisten waar Vlissingen en Maastricht lagen. Maar niemand had ons voorbereid op het Nederlands klimaat. Mijn oma dacht, toen in de herfst de bladeren van de bomen vielen, dat de bomen dood gingen. De Indische Nederlanders pasten zich aan de Nederlands cultuur aan zonder morren. Ze hadden zelf hun overtocht moeten betalen en betaalden die jarenlang af. Ze werden in kampen geplaatst maar wij hadden het geluk dat wij de eerste drie maanden bij een halfbroer van mijn vader in Velp konden wonen. Geen makkelijke tijd, wij met drie kinderen plus de zes van mijn oom in één huis. Drie maanden later kwam mijn vader en hij kocht een huis in Doetinchem. Hij begon een taxibedrijf maar dat liep niet zoals hij wilde. Hij bedacht dat een wasserette de toekomst zou zijn, mensen hadden nog geen eigen wasmachine en hij zag dat goed. In de avonduren volgde hij in Delft een opleiding om alles over chemisch reinigen te leren en begon bij de wasserette een stomerij. Ik was de robbedoes van de familie, ondernemend en een beetje stout. Mijn jongere broertje werd verwend, met de komst van een zoon was een langgekoesterde wens van mijn ouders in vervulling gegaan. Mijn oudere zus werd heel beschermd opgevoed en was daardoor erg verlegen. Dat zij beschermd is opgevoed is niet zo verwonderlijk.”

“Niemand had ons voorbereid op het Nederlandse klimaat.”

“Mijn zusje kreeg de dag na haar derde verjaardag malaria en stierf binnen twee dagen. Er werd in ons gezin niet over haar gesproken”

“Mijn ouders hebben hun oudste dochtertje op de leeftijd van drie jaar verloren aan malaria. Mijn moeder gaf haar altijd Paludrine tegen de tropische ziekte, maar zij had gelezen over de bijwerkingen van dit middel tegen malaria en stopte met de pillen. Mijn zusje kreeg de dag na haar derde verjaardag malaria en stierf binnen twee dagen. Er werd in ons gezin niet over haar gesproken en er hing geen foto van haar in huis. Jaren later begon mijn moeder te vertellen over de dood van mijn zusje Linda. Ze wist zich iedere seconde nog te herinneren: de paniek waarmee ze met het doodzieke kind naar de Marinebasis ging om daar een arts te zoeken. De arts die zat te lunchen en eerst niet zo welwillend was, maar bij het zien van het meisje wit wegtrok. De dertig minuten waarin men alles probeerde om haar leven te redden maar het kleine meisje toch stierf. Mijn ouders zijn in 1992, toen Nieuw-Guinea werd opengesteld voor buitenlanders, nog een keer teruggegaan. Zij dachten niet dat ze het grafje van hun oudste dochtertje nog terug te zouden vinden. Maar wat bleek, Jozef de voormalige voorman van mijn vader, had al die jaren het graf prachtig onderhouden. Toen ik zelf mijn eerste kind kreeg in 1988 ben ik mij pas goed gaan realiseren wat het betekent om je kind te verliezen en toen heb ik dan ook vreselijk gehuild om het zusje dat ik nooit heb gekend. Ik groeide op als een zelfstandig meisje, ging naar Assen naar de TT en naar de races in Zandvoort achter op de motor bij mijn neven. Hoewel mijn moeder dit doodeng vond mocht ik toch met hen mee. “Loslaten” en zelfstandig worden was belangrijk voor haar. Ik werkte op zaterdag in de wasserette, plukte aardbeien en dunde witlof uit. Mijn vader had het liever niet dat zijn dochter werkte maar ik ging mijn eigen gang. Ik ging naar de HAVO en daarna wilde ik in Utrecht de opleiding tot fysiotherapeute gaan volgen.”

“Ik weet nog dat ik uit het vliegtuig stapte en ik het gevoel had van thuiskomen. De herkenning en de geur”

“Maar eerst ging ik nog twee maanden naar Indonesië, we hadden nog familie in Jakarta waar ik naar toe kon gaan. Ik weet nog dat ik uit het vliegtuig stapte en ik het gevoel had van thuiskomen. De herkenning en de geur: hier hoor ik thuis. Ik volgde de opleiding, maar stopte omdat het toch niet was wat ik mij ervan had voorgesteld. De opleiding was dan geen blijvertje, maar de vriendinnen die ik daar maakte zijn gebleven. We zien elkaar nog steeds en maken met elkaar éénmaal in de vijf jaar een fantastische reis waar we iedere maand voor sparen. We zijn met elkaar naar Florida, Californië, Ecuador, Kenia en Sri-Lanka geweest. Dit jaar stond Oman op het programma maar door Corona ging dat niet door. Ik volgde de inservice opleiding tot verpleegkundige in het Diaconessenhuis en ook daar heb ik vriendschappen opgedaan voor het leven. Het was een geweldige tijd: veel Woolloomooloo, de hele nacht feesten en dan om 7.30 uur terug op de afdeling. Blik op oneindig en billen wassen. Of na een nachtdienst de trein naar Parijs en dan hijgend weer terug op zaal nadat we, door een staking, over Düsseldorf terug naar Nederland moesten. Eenmaal per maand met mijn zusje, die ook in Utrecht woonde en mijn broertje die in Delft studeerde naar huis in Doetinchem. Wij zijn een familie die erg aan elkaar hangt, familie is heel belangrijk voor ons. Mijn ouders hebben dat natuurlijk ook en langzaam ontvouwde zich het plan dat mijn ouders eigenlijk ook wel naar Utrecht wilde komen. Mijn vader verkocht zijn wasserettes, hij had inmiddels ook een filiaal in Arnhem en begon een stomerij aan de Amsterdamse Straatweg. Ze woonden boven de zaak en hadden graag gezien dat ik weer thuis kwam wonen. Dat was voor mij een brug te ver. Maar toen de etage onder hen vrij kwam hebben mijn zus en ik daar heel fijn gewoond. Mijn moeder stampte met de bezemsteel op de grond en riep op zondagochtend dat de nasi goreng klaar was. We hebben, samen met vrienden, vaak om tien uur met mijn ouders aan een voor Nederlanders  ongebruikelijk ontbijt gezeten. Ik ontmoette mijn man Michael Kooren die fotograaf is via een collega. Wij hadden dezelfde passie: reizen. De dag voordat hij vertrok voor een niet ongevaarlijke opdracht in Honduras en Nicaragua, trouwden we op mijn verjaardag. Later zou de belastinginspecteur daar nog een opmerking over maken. “Zakelijke onkosten op uw huwelijksdag?”

“Ik wilde niet afhankelijk zijn en bleef alles doen. Als mijn man er is heerlijk maar alleen ook prima”

“Het was pré-digitale tijd, fotograferen, ontwikkelen, afdrukken en daarna nog naar de opdrachtgever brengen kostte veel tijd. Veel opdrachten in het buitenland en dat betekende ook heel veel van huis. Ik heb menig huwelijk van fotografen zien stranden omdat de vrouwen veel alleen waren. Ik wilde niet afhankelijk zijn en bleef alles doen en als mijn man er is heerlijk maar alleen ook prima. Wanneer Michael opdrachten had in het buitenland reisde ik hem achterna zoals naar Seoul, waar in 1988 de Olympische Spelen werden georganiseerd. Het WK-voetbal in de VS in 1994, waar we niet verwachtten dat het Nederlands elftal ver zou komen. Ze kwamen tot de kwartfinale en ik zat maar te wachten tot we eindelijk konden vertrekken. We kregen drie kinderen en met hen hebben we ook veel gereisd. Met een baby van twee maanden naar Denia en met kind van een half jaar naar Singapore voor een huwelijk. Tussentijds nog wel eens gekampeerd in Frankrijk, maar ik gruwelde van de toiletten. Liever naar Bali, Thailand of Jamaica, we stonden op het WTC een week voor 9/11 en alles altijd vastgelegd door Michael. Heel bijzonder was wel de reis naar Japan waar we de familie van mijn moeder hebben ontmoet.”


‘Toen ik goed keek zag ik dat het een foto was van mijn oma met vier kinderen.”

“Via de Japanse ambassade en de trouwakte van mijn oma vonden we de familie terug. Ze woonden in een klein huisje met een lemen vloer. Het behang van oude kranten die al vergeeld waren. Mijn oog werd getrokken door een kleine foto tussen het “krantenbehang” die met vier punaises vastgeprikt zat op de muur. Toen ik goed keek zag ik dat het een foto was van mijn oma met vier kinderen, één van hen was mijn moeder als klein meisje. De foto hing al sinds 1936 op die plek. Een moment om nooit te vergeten. Ik ben altijd blijven werken: in de verpleging, tien jaar in de verloskundige praktijk van Petra Blokker en in het vakantiehotel van het Rode Kruis in Rheden. Daar kunnen chronische zieken met hun familie even op vakantie en op adem komen. Toen het vakantiehotel zijn deuren sloot ben ik gaan werken in de thuiszorg bij AxionContinu en daar werk ik nog steeds. Maar ik zou ook nog wel naar het buitenland willen, iets gaan doen voor het Rode Kruis. Mijn verlangen naar reizen en mijn beroep uitoefenen in één klap.”

 

Hoe is het om ouder te worden?

“Ik heb meer moeite met het zestig plus zijn dan ik had met vijftig plus. Het kan mij soms benauwen dat ik nog maar twintig jaar heb terwijl ik nog zo veel wil doen. Ik ben nog heel soepel en kan nog veel en dat werken in het buitenland blijft een verlangen.”

Wat is je geheim?

“Goede en vooral Aziatische genen. Ik kan heel goed ergens een streep onder zetten en doorgaan. Hoewel ik de huilebalk van de familie ben,  doe en regel ik alles als het moet. De euthanasie-wens van mijn moeder en haar prachtige afscheid van deze wereld en de uitvaart van mijn vader die onlangs is overleden. Een groot tranendal maar ik speel het toch klaar.”

Tennis, bridge of yoga?

“Tennis. Als klein kind tenniste ik al en in 1995 heb ik dat weer opgepakt. Ook op de tennisclub heb ik een vaste vriendinnenclub en we tennissen nog steeds met elkaar nu al vijfentwintig jaar. Fitness en Pilates, ik zou dat eigenlijk ook weer moeten gaan doen.”

Is je stijl veranderd?

“Mijn stijl is altijd een beetje hetzelfde gebleven: beetje casual en vooral praktisch op mijn werk. Maar ik kan op zoek zijn naar stevige “rampestamp” schoenen en thuiskomen met rode pumps met stiletto’s van tien centimeter. Dus ook frivool van tijd tot tijd.”

Wat vind je van de Utrechtse vrouw?

“Mijn vriendinnen kleden zich net zoals ik, we houden van verzorgd. Maar ik woon vlakbij de Zeven Steegjes en daar is een joggingbroek overdag heel gewoon.”

Aan wie geef jij het stokje door?

Aan Dianne Duynhouwer, we zij al vriendinnen sinds de verpleegstersopleiding. Zij is eigenzinnig, avontuurlijk en zij weet wat zij wil.”

Het fotoalbum.

Heerlijke jeugd in Nieuw-Guinea.
Bij de 93ste verjaardag van vader.
Met Michael op reis.
De kinderen in jonge jaren, altijd met hun Ernies.
In-service verpleegstersopleiding in het Diak.
Vrienden voor het leven.

Yontie Helders

Eén reactie

Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *