Beton, staal en steen, in sterke sculpturale vormen, made in Utrecht. Unieke expositie in de Beeldentuin van het Kröller-Müller Museum: een overzicht van het werk van Ruud Kuijer in het Rietveldpaviljoen. Een overzicht van het werk van de ene Utrechtse kunstenaar onder het dak van de andere. Voor het eerst in 23 jaar is er ruimte gemaakt voor een nieuwe tentoonstelling. Er zijn zestien beelden van Kuijer te zien, van 1990 tot 2025. Dat hoort bij de nieuwe dynamiek onder directeur Benno Tempel.
Gerrit Rietveld ontwierp het paviljoen zonder deuren en buitenmuren in 1954 voor een Sonsbeektentoonstelling in 1955. In 1964 is het verplaatst naar Otterlo, maar Rietveld maakte dat niet meer mee. Het was na zijn dood, 25 juni 1964. Benno Tempel, sinds november 2023 directeur van het Kröller-Müller is enthousiast over het design. Hij zegt: ‘Het is een architectonisch werk, een paviljoen en tegelijkertijd voor ons ook een kunstwerk. Het is zo ongelooflijk mooi, in proportie, qua aanzicht. Daar kan je alleen maar lyrisch van worden, of heel stil, want het is een indrukwekkende locatie en ik ben heel blij dat het een onderdeel is van ons verhaal dat we kunnen vertellen als museum.’
Grondleggers van de beeldentuin waren Bram Hammacher en Rudi Oxenaar, in de late jaren vijftig en vroege jaren zestig. Tempel is vol eerbied van die schouders afgestapt. Hij werkt aan een uitbreiding van het monumentale museum bij Otterlo. Met respect voor al het erfgoed van kunstenaars als Marta Pan, Jean Arp, Jean Dubuffet, Henry Moore, Constant Permeke, Richard Serra en Anselm Kiefer zoekt hij vol ambitie naar nieuwe dynamiek. Daar hoort Ruud Kuijer voor hem duidelijk bij.
‘Zeker, want we zijn een museum voor sculptuur. We zijn niet alleen dat museum van de grote, iconische schilderijen die Helene Kröller-Müller verworven heeft, de grootste collectie van Van Goghs ooit bij elkaar gebracht, indrukwekkend, maar we zijn na de Tweede Wereldoorlog ook het belangrijkste Europese museum van sculptuur geworden. Dat zijn we tot vandaag de dag, maar dat moeten we ook op een actieve manier blijven voeden. Daarom is het interessant om te kijken wat kunstenaars doen, wat beeldhouwers doen. In Nederland zijn heel veel kunstenaars die installaties maken, maar dat is lang niet altijd sculpturaal. Als je dan kijkt naar wat de typische eigenschappen zijn van sculptuur, waar mensen als Hammacher, Oxenaar en andere voorgangers van mij ook veel over gezegd en geschreven hebben, dan kom je in Nederland toch uit bij een kunstenaar die dat op internationaal niveau doet en dat is Ruud Kuijer.’
‘Omdat een kunstenaar als Ruud in die traditie past, moeten we het ook tonen’
Het is in navolging van Nederlandse kunstenaars als Wessel Couzijn, Carel Visser, Ger van Elk, Marinus Boezem en Henk Visch – grote traditie. Tempel: ‘Dat is ook waarom we dat doen, want dat is ook de verantwoordelijkheid van een museum. Omdat een kunstenaar als Ruud in die traditie past, moeten we het ook tonen. Als je die lijn doorknipt, doe je aan geschiedsvervalsing. Dan doe je net alsof na Ger van Elk, of Marinus Boezem in Nederland geen enkele kunstenaar van statuur is geweest en dat geldt zeker voor Ruud Kuijer.’
Tempel kent Kuijers werk uit de periode dat hij directeur was in het Kunstmuseum in Den Haag. Het ging via conservator Hans Janssen, goede vriend van de Utrechter. Het Haagse museum is meer een museum voor schilderkunst. Tempel is blij dat er weinig aan sculptuur gedaan wordt, want anders was de Kuijer expositie er mogelijk niet gekomen in Otterlo.

Opgetogen: ‘Dit is fantastisch. Het leuke van deze tentoonstelling is dat het ook een beetje een wedergeboorte voor het Kröller-Müller Museum is. Het paviljoen van Rietveld is decennia lang gebruikt om de grote collectie van beelden van Barbara Hepworth ten toon te stellen. Engelse kunstenaar, heel belangrijk, we hebben de grootste collectie buiten Engeland. Ze is een tijdgenoot van Henry Moore. Omdat we dit met Ruud gingen maken, moest er plek gemaakt worden. Barbara heeft een zijstap gedaan, haar beelden zijn op een ander veld gezet. Dat is waanzinnig, zo goed, maar dat hadden we nooit gedurfd, als we Ruud niet hadden gevraagd. Dus voor het museum is deze nieuwe tentoonstelling ook een soort wedergeboorte, want we zien nu dat die werken van Barbara Hepworth misschien wel de komende decennia daar in het bos staan. En dat geeft ons de komende periode veel meer de mogelijkheid om tentoonstellingen te organiseren in het Rietveldpaviljoen. Dus misschien is de tentoonstelling van Ruud het begin van een nieuwe traditie. Ons ding, samen met het hoofd tentoonstellingen, Janet de Goede.’
‘Het was super, binnen een dag stond de hele boel’
Ruud Kuijer voelt zich wel thuis in het paviljoen. ‘Ja, ik vind het geweldig. Vanaf het begin af aan. Benno zei: “Trek je jas aan, we gaan kijken.” Dat was vorige winter. Hij nam wel enige reserve, want hij moest intern kijken of het echt ging lukken. Ik zei toen tegen Benno: “ik ben echt heel enthousiast om dit te doen en als jij dat ook bent, ga ik kijken of we transport kunnen regelen.” Het was super, binnen een dag stond de hele boel. De samenwerking is echt heel fijn. In de kunst gaat alles in golfbewegingen. Het is fantastisch wat Benno zegt: er is een rijke traditie. Ik zit in het voetspoor daarvan. Ik probeer dingen te doen die zich daarmee verhouden, maar toch volledig mijn eigen ding zijn. En ja, dit is de perfecte locatie. Rietveld heeft een heel mooi gebouwtje gemaakt, dat heel dwingend is door het systeem van de platen dat zich herhaalt en ook veel mogelijkheden heeft. We hebben drie keer een sessie gehad met z’n drieën, net zolang geschoven en bij de derde sessie was het pats! Hij staat er nu.’

Ruud Kuijer, verlosser bij een wedergeboorte? Een lach, dan: ‘Ik denk dat ik op het goede moment gekomen ben. Benno wilde ook kijken wat we konden toevoegen. We kwamen met een plan dat realistisch was.’
Tempel: ‘Om een kussen op te schudden heb je veren nodig. Het een kan niet zonder het andere. Dus het idee om een soort dynamiek op een bepaalde manier los te maken in het museum, dat moet dan wel met een kunstenaar die dat ook kan. Het is ook in een bepaalde snelheid ontstaan. We hadden door: dan moeten we het nu wel gaan doen, het moet niet nog vijf jaar duren.’
‘Dichter bij Frank Lloyd Wright kom je niet in Nederland’
Kuijer: ‘Er zijn hier veel werken te zien. Beton en staal. Benno wilde graag terug naar het begin, dus van 1990 tot 2025, 35 jaar werk. We konden uit mijn eigen depot kiezen, dus dat gaat dan snel. Er was veel te kiezen. We hebben er heerlijk in samen gewerkt.’
Een van de werken staat buiten. Tempel: ‘Ja, dat is zo mooi hier: waar stopt het en waar begint het. Dat geldt voor het gebouwtje trouwens ook. Dichter bij Frank Lloyd Wright kom je niet in Nederland. Binnen en buiten lopen in elkaar over. De vloerdelen waaruit dit paviljoen is opgebouwd, lopen als een pad de tuin in. Dit beeld staat wel buiten, maar nog wel op het pad en is dus heel duidelijk verbonden met de architectuur. Hij verbindt het paviljoen ook heel mooi met de tuin.’

Op drie poten van staal staat het, met ronde betonelementen erin, een stuk gaas. Het heet Sprong, uit 1999. Ruud Kuijer: ‘Het is beton en gegalvaniseerd ijzer. We gebruiken dat in de buitenruimte voor onderhoud. Het is verzinkt ijzer, dat in een bad gaat. Vangrails, lantaarnpalen, hekwerken, die verzinken we. Ik had een hele stapel van die dingen. Beton is zowel vorm als verbinding. Die betonnen cylindervormen zitten op de kruispunten. Toen ik die hele berg had, zag ik: een rol gaas is ook een cylinder en een bedspiraal ook, maar die zijn transparant. Ik wilde wat met dat gegeven, dat is dit beeld geworden. Dus er is een soort concept, een idee, maar het eindresultaat is gevormd in het maken. Dat vind ik een heel belangrijk iets, want daarmee overstijg je de conceptuele kant. Dan gaat het een eigen leven krijgen.’
Hij ging naar de academie in 1980, toen conceptuele kunst op zijn hoogtepunt en ontzettend belangrijk was. ‘Ik dacht: het is ook een beetje een eindpunt. Hoe ga ik verder en hoe kan ik een werk sculpturaal maken, zonder dat ik in de voetsporen van voorgangers ga zitten en toch een eigen taal maken. Ik weet niet, of dit een beginpunt is. In het gebouwtje wel, want hier heeft de tijd 23 jaar stil gestaan met alleen Barbara Hepworth.’
Tempel: ‘Niet voor niets is de titel Sprong. Er zit ook een soort lichtheid in, een ironische ondertoon, of een humoristische knipoog in het werk van Ruud. Het ziet er best wel indrukwekkend en stevig uit, al dat staal, al dat metaal, maar als je wat langer kijkt, dan zie je er eigenlijk heel veel visuele grapjes gebeuren. Dat vind ik een bijna onderbelichte kwaliteit in het werk van Ruud Kuijer.’
‘Het is alsof een stel bouwmannen met het werken aan de weg niet goed hebben op zitten letten bij de cementmolen’
Binnen staat een staketsel tegen een Rietveldmuur van bouwblokken, met een betonnen klont centraal. Het heet Wandsculptuur 2, uit 1997.
Tempel:’Het is alsof een stel bouwmannen met het werken aan de weg niet goed hebben op zitten letten bij de cementmolen. Er is een grote klont uitgevallen en die ligt daar dan zo op straat en hardt dan uit. De pech is nog groter: er is nog een hek in gevallen en een pijp. Wat een rommeltje. Alleen wat Ruud dan doet: hij zet dat beeld overeind en laat hem leunen. Ik vind het ook iets heel geestigs hebben. Daarnaast wordt het ook bijna een lichaam, een mannetje, een figuur. Het heeft armen en benen, een kop.’
Kuijer: ‘Als je beton gewoon laat vallen, krijgt het deze vorm. Die klodders zitten in meerdere beelden. Op gegeven moment dacht ik dat ik een werk tegen de muur kan maken. Wat Benno zegt over het lichaam, of de figuur, dat zit natuurlijk in al deze sculpturen. Ze zijn concreet, eigenlijk abstract, maar er zitten altijd fysieke verwijzingen in. Vormen die elkaar vastpakken, of elkaar doorkruisen. We kunnen liggen op een bank, leunen tegen een muur, hangen aan een paal. Het zijn fysieke begrippen, maar die hoeven niet per se vorm te krijgen door middel van een figuur. Die kunnen we ook gewoon op een concrete, abstracte manier tonen.’
‘Ik voel het in dit hele gebouw, de speelsheid. Daar herken ik veel in’
Mooi om te horen wat de een er in ziet en wat de ander vertelt over wat hij gemaakt heeft.
Kuijer: ‘Dat vind ik gelijk geweldig. Ik maak het beeld en dat maakt iets los in de hoofden van de mensen die ernaar kijken. En dat is voor iedereen weer anders. Ze mogen er van mij van alles in zien. Ik heb het misschien op een andere manier gemaakt. Voor mij speelt toeval een rol, dat ik die elementen van straat pluk en bij elkaar breng. Ik wil het vooral niet kunnen bedenken. Er is wel een concept, of een idee, maar ik wil het zolang mogelijk voor me uit schuiven. Dingen die bedacht zijn, heb je heel snel gezien. Dan heb je het door en is de verrassing weg. Het materiaal zit vaak in de container, wordt weg gedonderd, of ik haal het bij de ijzersloop. Ik had een hele variatie aan die vormen. Het is koud grijs en warm grijs. Het past bij elkaar, ook bij die muur. Ik voel het in dit hele gebouw, de speelsheid. Daar herken ik veel in. Rietveld, zijn vroege stoelen. Het spelen met materiaal en dan tot een vorm komen. Ik probeer het kloppend te krijgen, dat al die elementen zichzelf blijven en dat die stukken beton de zaak vast houden en ook visueel op hun plek zitten.’
Om beheersing van de zwaartekracht gaat het, maar ook om energie – onderdeel waar vooral vrouwen van houden bij het kijken naar kunst. Het is ook alsof de sculpturen stilstaand bewegen. Het past wel bij een gemeenschappelijke noemer voor het werk van Kuijer: robuust, krachtig, stoer. Dat beaamt hij niet direct. ‘Ik heb hele zachte handen. Daar zijn mensen altijd verbaasd over. Dat komt door mijn handschoenen. Het gaat om de visuele kwaliteit en als dan iets als kracht naar voren komt, dan kijk je waarschijnlijk naar een technisch iets. Je moet het beeld zien.’
Tempel: ‘Het zijn zestien beelden. Het interessante van sculptuur is, is dat het van heel veel kanten zichtbaar is. De meeste werken hier hebben niet per se een voor- of achterkant. Sommige beelden hebben wel vier, of vijf kanten waar je naar kunt kijken. Dus als je je als toeschouwer die tijd gunt, heb je hier een top middag. Je kunt hier een uur rondlopen en dan heb je niet 16 beelden gezien, maar heb je er 38 gezien, of nee, dan heb je er 92 gezien. En dat is goed.’
Daags eerder werd Kuijer aangesproken door een meisje. ‘Ik heb haar van alles verteld. Ze was niet echt onderlegd. Maar ze zei, en dat vond ik een groot compliment:”Alles klopt hier. Dat gebouwtje, je voelt dat het niet zomaar is, dat het echt doordacht is, dat het klopt en met de werken daarin ook.” Ik had een goeie middag. Je hoeft niet altijd alles te weten om die ervaring te hebben.’
OVER RUUD KUIJER
Geboren in Utrecht 8 juni 1959
Opleidingen: Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving, Den Boscj
Jan van Eyck Academie, Maastricht
Werken (selectie)
Groep “Staan/Liggen/Hangen/Leunen” (1985-1992)
Groep “Gegalvaniseerd IJzer/Beton” (1992-2001)
Waterwerken, groep van zeven grote sculpturen langs het Amsterdam-Rijnkanaal, Lage Weide
(2002-2013)
Tentoonstellingen (selectie)
Galerie Wentzel, Keulen (1986) Centraal Museum, Utrecht (2009, 2024)
Gemeentemuseum Den Haag (1996)
Galerie Gerken, Berlijn (2011)
Museum Beelden aan Zee, Den Haag (2014)
ART ZUID, Amsterdam (2017)
City of Arts and Sciences, Valencia (2017-2018)
Sculptuurbiënnale BLICKACHSEN 12, Frankfurt (2019)
Internationale opdrachten
Alliance, haven Melbourne, Australië (2009)
Ocean Reef, twee sculpturen voor twee kunstmatige eilanden voor de kust van Panama-stad, Panama (2016)
In bijgaande podcast van Jeroen Wielaert is meer te horen over de wandeling door de tentoonstelling. Het begint met een uiteenzetting van Benno Tempel. De tentoonstelling is te zien van 13 juni tot en met 4 oktober.
Laat uw reactie achter
Reactie