Harry van Dam was journalist bij het Utrechts Nieuwsblad, AVRO en NOS. Perschef van FC Utrecht en op zijn 72ste nog steeds (maar wat minder fanatiek) actief voor communicatieadviesbureau PaapstvanDam, waarvan hij tot voor enkele jaren geleden mede-eigenaar was. En een echte Utrechter. Geboren in de Zonstraat, zoon van Kees van Dam, bekend in Utrecht van de speciaalzaak in kampeerartikelen aan de Wolter Heukelslaan/Burg. Reigerstraat. Ik ken Harry van het terras van Orloff aan ’t Wed. Wijntje, praatje. Altijd vrolijk. En van de videopodcast Herrie in de Slachtstraat waar hij als presentator met zijn humor en charme voor een prettige sfeer aan tafel zorgt. Werkelijk nooit zag ik Harry somber, een levensgenieter, zou je denken. Dat laatste was hij vroeger zeker. Maar dat veranderde toen in zijn leven opnieuw het noodlot toesloeg. ‘De ongebreidelde, onbeperkte lol, die is er wel van af.’
Ik sprak met Harry over vallen en proberen op te staan. Een gesprek waarbij het niet eenvoudig was om de journalistieke distantie in acht te nemen. Want wat een opeenstapeling van verdriet. Maar ook: wat een veerkracht. Als Harry de deur voor me opent, mis ik zijn opgewektheid. Wat is er aan de hand? Harry had zijn garage opgeruimd en dat bleek (hoewel hard nodig) niet in alle opzichten een goed idee. Te veel herinneringen.
”April is mijn mensis horribilis. Het is de maand waarin mijn jongste zoon Jan, in 2022, overleed. Misschien was het niet zo verstandig om juist nu de garage op te ruimen. De dozen met alles wat ik bij diverse verhuizingen altijd heb bewaard, moeten nu maar eens weg. Maar het is hartverscheurend wat er allemaal door je vingers gaat. Kindertekeningen, foto’s, speelgoed, briefjes van mijn overleden vrouw Loes, maar ook huisraad. Verdomd, dat gebruikten we altijd voor dit en dat stond daar. Ik reed naar de kringloop en leverde mijn dozen in. Boven in één van de dozen zag ik in een flits een schaaltje met de mozaïekpatronen van Gaudi dat we lang geleden in Barcelona kochten. Twee kleine jongetjes, met hun ouders op vakantie. Toen ons gezin nog compleet was. In de auto terug had ik al spijt dat ik dat ene schaaltje niet uit die doos had gehaald. Ik heb er de hele nacht van wakker gelegen en ben vanochtend vroeg naar de stort gereden, maar de bewuste doos was al weg. Ik ben er gewoon een beetje ziek van. Achteraf symboliseert dat schaaltje een tijd waarin geluk nog maakbaar leek.”
Geluk dat uit je handen glipt. Omdat het lot toeslaat. Het blijkt de rode draad in ons gesprek.
‘Dan ben ik weer even van slag bij het vinden van zo iets tastbaars van Jan’
“ Nu we toch op de sentimentele tour gaan”, vervolgt Harry, ”gisteren pakte ik een boekje om de kleinzoon van mijn vrouw Josette voor te lezen. Opa en Oma Pluis van Dick Bruna. Er zat een handgeschreven kaartje in met de felicitaties van Jan en zijn vriendin Lisa bij de geboorte van de eerste kleindochter van Josette, begin 2022 Dan ben ik weer even van slag bij het vinden van zo iets tastbaars van Jan. Hij schreef dit toen hij nog niet wist dat hij een paar maanden later dood zou zijn. Jan is er nog steeds in alles wat ik doe”.
Samen bladeren we het fotoalbum met de foto’s van Jan door. Jan met Loes, een half jaar oud. Jan interviewt Van Hanegem. Jan en Lisa in februari in Parijs, toen er niets aan de hand leek. Op 27 april overleed hij.
“Mijn vrouw Loes kreeg in 1999 de diagnose ALS. De vier jaar voorafgaand aan deze diagnose beschouw ik nog steeds als de mooiste jaren van mijn leven. Het ging ons voor de wind, we hadden een leuk gezin en ook in materieel opzicht hadden we het goed. Allebei een goede baan, ik in de journalistiek en Loes bij de Hogeschool Utrecht. We konden ons wat permitteren. Leuke vakanties, een goede auto en een fijn huis. Het was tijdens een kampeervakantie in Aix-en-Provence, de jongens Kees en Jan zaten in een badje en Loes lag te lezen voor de tent, dat er een Nederlandse vrouw langs liep. Zij zei: ’Wat een rijk bezit’. De gedachte schoot door mijn hoofd, dit is misschien wel te mooi om waar te zijn, dit kan niet goed blijven gaan. Het was een moment om vast te houden, om te koesteren. Ik wist dat er altijd een wolk voor de zon kon komen.”

“We hadden in 1990 een zoontje verloren. Na een moeilijke zwangerschap, kwam Jaapje veel te vroeg met een keizersnede ter wereld. Zijn longetjes waren nog niet volgroeid en hij overleed na twee spannende weken. Kees, onze oudste zoon, was toen drie en hij heeft dat verdriet meegemaakt. De tevergeefse hoop dat zijn broertje het zou redden en thuis zou komen. We waren in rouw gedompeld en ik zie mijzelf nog lopen met dat kleine kistje over de begraafplaats St. Barbara. Ik heb er jaren niet over kunnen spreken. Een jaar later werd onze zoon Jan geboren en was er weer alle reden tot vreugde in ons gezin. Voor ons sneeuwde het verdriet om Jaapje weer verder onder toen Loes zo ziek werd. Het was begonnen met wankel op de benen staan, vallen en het verlies van de fijne motoriek. Aanvankelijk werd er aan ‘een’ spierziekte gedacht, tot de afkorting ALS viel als mogelijke oorzaak. De arts had net zo goed PQR kunnen zeggen, want niemand had toen nog ooit van ALS gehoord.”
‘Loes was een krachtige vrouw, vastbesloten om zich tot het uiterste te verzetten’
“De prognose was een levensduur van 3 tot 5 jaar. Je houdt de hoop dat men zich kan vergissen. Loes was een krachtige vrouw, vastbesloten om zich tot het uiterste te verzetten. Ze werd het gezicht van de ALS-vereniging en schreef jarenlang een column in het UN over het leven met haar ziekte. Soms grappig en met humor, maar ook somber. Ze kwam terecht in een rolstoel, ons huis werd aangepast en gelukkig heb je dan een kring van mensen om je heen die je helpen. Je relatie verandert natuurlijk en voor de jongens was het zwaar een moeder die zo ziek was. In 2015 overleed Loes.”
“Kees en Jan hebben mentale problemen gehad na het overlijden van Loes. Maar ze wisten dat verdriet te verwerken. Kees heeft nu een baan in het maatschappelijk werk en Jan vond zijn weg in de journalistiek, de keren dat ik zijn stukjes eerst door moest lezen of moest redigeren werden steeds zeldzamer. Hij was dertig en zijn carrière zat in de lift toen hij plotseling ziek werd. Hij werkte bij het AD en bleek een goede verslaggever, maar ook een heel goede eindredacteur. Ik hoorde later van zijn hoofdredacteur dat ze grootse plannen met hem hadden. Vroeger had hij moeite om zich in groepen staande te houden, voelde zich op school vaak miskend, maar op de centrale redactie in Rotterdam voelde hij zich als een vis in het water.”

“Hij floreerde. Hij was ook een heel aardig mens met oog voor anderen om zich heen. Fysiek leek er niets aan de hand, hij was een sportieve jongen, had altijd op hoog niveau gevoetbald. Hij had een personal trainer die hem wekelijks goed onder handen nam. Jan kreeg Corona maar zonder ernstige klachten. Eind maart begon hij pijn te krijgen, in zijn rug en zijn maag en hij dacht dat de trainer hem had overbelast. Hij ging naar de huisarts en die dacht dat het de naweeën waren van Corona. Hij voelde zich steeds beroerder, maar bleef werken.”
‘Ik voelde toen letterlijk de grond onder mijn voeten wegzakken’
“Ik zat op 5 april 2022 bij het Domdiner, toen Jan belde dat hij de volgende dag een afspraak had bij de huisarts omdat hij nu toch echt doorverwezen wilde worden. Ik ging met hem mee en de huisarts stuurde ons naar de internist. Die wilde toch even een echo maken, kwam terug en wilde ook nog een CT-scan. Nog geen tien minuten later kwamen er drie artsen terug. De ene zei: ’Ik heb heel slecht nieuws. Je hebt kanker’. Ik voelde toen letterlijk de grond onder mijn voeten wegzakken, een bijna niet te beschrijven sensatie. Alsof je in een eindeloze ruimte terechtkomt. Ik vroeg een beetje deftig: ’Is het operabel?’ ’Nou’, antwoordde de ene arts, ’dat denk ik niet want het zit overal, het is helemaal uitgezaaid’. Maar, zeiden ze, het kan ook teelbalkanker zijn en dat is te genezen. Er volgden allerlei onderzoeken en op een gegeven moment werd Jan bij ons thuis gebeld door het UMC dat hij de volgende dag zou worden opgenomen. Dat klonk relatief hoopgevend en we klampten ons aan de laatste strohalm vast: teelbalkanker en direct beginnen met de chemo. De volgende dag, 13 april, moesten we ons melden in spreekkamer 2 op de afdeling oncologie. De arts kwam binnen en zei: ‘Ik zal maar met de deur in huis vallen, het is geen teelbalkanker. ‘ Jan ontplofte, ik dacht dat hij de hele spreekkamer zou verbouwen. ’Godverdomme, dus dit was mijn leven!, maak mij maar meteen af.’
‘Papa, één ding moet je mij beloven, dat je geen verzuurd oud mannetje wordt.’
“De arts gaf hem nog een paar maanden en dat bleken twee weken te worden. We liepen tien minuten nadat hij gehoord had dat hij dood zou gaan door de gang naar buiten. Halverwege de gang draait Jan zich naar mij om en zegt: ‘Papa, één ding moet je mij beloven, dat je geen verzuurd oud mannetje wordt.’ Het is zo groots dat die jongen op zo’n moment zoiets zegt. Dat hij niet aan zichzelf, maar aan een ander denkt. Het ligt ook niet in mijn aard om chagrijnig door het leven te gaan, maar dit was wel een extra aansporing. Ik ben altijd vrolijk geweest. Op school was ik de grappenmaker en ik liep op Koninginnedag met een oranje vergiet op mijn hoofd. Themafeestjes, daar deed ik echt mijn best voor. Maar nu denk ik ’flikker toch op!.De ongebreidelde, onbeperkte lol, die is er wel van af.”
Maar Harry leidt inmiddels wel weer een actief leven, zoals hij zijn zoon ook had beloofd. Hij is dus deels nog aan het werk als communicatieadviseur, doet het één en ander aan vrijwilligerswerk -onder meer bij FC Utrecht-, is gespreksleider bij Herrie in de Slachtstraat en adviseert de NVJ, de Nederlandse Vereniging van Journalisten, op het gebied van vakontwikkeling. Een druk en dynamisch bestaan en Harry is graag onder de mensen, geniet van gezelschap.
“Maar bij alles denk ik aan Jan. Vanaf onze plek bij FC Utrecht kijk ik op de perstribune en dan denk ik: daar had hij moeten zitten en soms denk ik even dat ik hem nog zie. Voetbal was zijn wereld en hij was populair, meer dan hij ooit had kunnen denken. Hij zei nog: ‘Wat zouden ze gaan doen als ik er niet meer ben, in de dertigste minuut gaan klappen? Ach nee, Dat moet ook niet, dat doen ze bij voetballers en ik ben journalist.’ Hij zei vlak voor zijn dood, niet zonder trots: ’Ik heb me ontwikkeld van een supporter tot kritisch en onafhankelijk journalist.’ Op woensdag 27 april, Koningsdag, is Jan overleden en op vrijdag werd hij hier thuisgebracht in zijn kist. Die stond hier op de plek van deze tafel en binnen een dag was het een grote bloemenzee. Op dezelfde avond was FC Utrecht-NEC. Ik wilde er naartoe, omdat ik wist dat ik daar heel warm zou worden ontvangen. Maar we twijfelden: ’Je kan die jongen toch niet hier alleen laten’, zei Josette bezorgd. We zaten midden in die afweging toen ik een appje kreeg van Thijs van Es, de directeur van FC Utrecht, met alleen een foto. Een lege Bunniksite met een spandoek: ’Jan van Dam voor altijd in ons rood-witte hart’’.

‘Josette en haar familie zijn een ongelooflijke steun voor mij geweest’
“Nu moesten we toch gaan en ik ben dolblij dat we het hebben gedaan. Ik kon mijn ogen niet van het spandoek afhouden. Het bleef heel lang 0-0 en tot Douvikas het enige doelpunt maakte voor Utrecht, in de hoek waar het spandoek hing. De volgende dag stond de foto in alle kranten. FC Utrecht is voor mij meer dan alleen een voetbalclub. Jan had daar al een bijzondere reputatie zonder dat hij het in de gaten had.” Het wordt wel een treurig verhaal zo en ongemerkt gaat het toch weer heel erg over Jan, merkt Harry op. “Ik heb nu ik het zo vertel ook wel een bewogen leven achter de rug, maar ik heb ook het grote geluk gehad dat ik Josette ben tegengekomen. Zij en haar familie zijn een ongelofelijke steun voor mij geweest en zijn het nog. Ze hebben mijn leven sowieso ook verrijkt.”

Als Harry mij uitlaat, zet hij nog even de sneakers van Jan recht. Ze staan nog altijd onder de kapstok, waar ook de jas van Jan hangt. “Het houdt de herinnering aan hem levend. Het jaar na het overlijden van Jan vond ik dat ik nergens meer van mocht genieten. Zelfs niet van een glas wijn in de zon. Dat lukt nu beter, maar het gemis wordt niet minder en ik moet mijn energie goed verdelen. Ik weet nu dat ik in april en mei geen garage moet opruimen en dingen tegenkomen die mij weer teruggooien in de tijd.”
Een uur later appt Harry me. “Ik heb nog niet over het schaaltje van Gaudi gebeld naar de kringloopwinkel. Misschien moet ik het zo maar laten en niet met alles in het verleden blijven hangen.”
Want het leven gaat door.
Laat uw reactie achter
Reactie