kroegverhalen

Horecaverhalen van toen: Jan Primus had zomaar 350 bieren op de fles

In het voetbalrampjaar 1974 ging vlakbij het Wilhelminapark Café Jan Primus open. Binnen een paar weken liep het er storm. Kon ook niet anders, want elke liefhebber van Belgische bieren kon er eindelijk aan zijn trekken komen. De familie Van der Pas had één pils op de tap en maar liefst 350 bijzondere bieren op de fles. Als het stampvol was, je kon ook nog de gang naar de keuken en het toilet volproppen, zaten er pakweg 100 man. Wina Born, de grande dame van de Nederlandse culinaire journalistiek, al draait Johannes van Dam zich nu om in zijn graf, kwam een reportage maken voor in Vrij Nederland en de VPRO-radio maakte er een live-uitzending over. Veel publiciteit dus en derhalve ook elke dag een stampvolle zaak.

Good old Henk Westbroek stond er van meet af achter de tap en hield dat vier jaar vol. Op zijn tweede werkdag, zondagmiddag een uur of een, het café was nog niet open, stopte een bus voor de deur en wilde het Nederlands Elftal en zijn begeleiders het café binnen. Ze mochten allemaal één biertje bestellen. Westbroek werkte zich een slag in de rondte. Tja, er waren een paar snuggeren die wisten van literflessen en Piet Keizer kwam Westbroek achterna toen die naar het toilet ging. Hij hield hem een tientje voor en zei: ‘Je weet, ik drink als enige tomatensap, zorg jij dat daar telkens een dubbele wodka in zit? Dan is dit tientje voor jou.’ Toen het gezelschap twee uur later weer vertrok, had Keizer een halve fles wodka op. ‘Op de WK in Duitsland speelde Keizer niet best, ik heb altijd gedacht dat dat een beetje mijn schuld was, door al die drank,’ zegt Westbroek nu. ‘En ik keek nog wel zo tegen die man op.’

‘Het was echt niet makkelijk werken, daaro,’ legt Westbroek verder uit. ‘Veel bieren bewaarden we in de kelder. Dan moest je voor een Mort Subite van Lambik, zo’n grote fles, de kelder in, zoeken waar hij ook weer stond. Dan naar boven, open trekken, kwam er zo’n putlucht uit. Hup, kon je weer naar beneden om een nieuwe te halen.’

Jan Primus had dus als enige in Nederland een grote keus aan Belgische bieren. Wekelijks reden ze met een oude PTT-bus naar België om nieuwe voorraad in te slaan. Om die reden werden ze van diverse merken ook importeur. Zo hadden ze van Duvel van Moortgat de exclusieve importrechten. Er waren nog vier café’s bijgekomen die ook door Jan Primus beleverd werden. In het begin ging het om vijf kratjes per maand. Of Orval, ook eigen import, twee kratjes per week. Pas drie of vier jaar later explodeerde de verkoop van Duvel.

Op den duur kwam er zoveel volk op af, dat er op donderdag, vrijdag en zaterdag, naast de twee man achter de bar, nog iemand rondliep om de lege glazen op te halen en bestellingen op te nemen. ‘Die glazen waren een probleem. Vooral studenten en wetenschappelijk medewerkers probeerden ze stiekum mee naar huis te nemen. Je kon ze moeilijk vragen of ze hem terug wilde geven, daarom gaven we bij het vertrek vaak een flinke klap op een van de zakken, dan hoorde je het glas breken,’ zegt Westbroek. En hij komt meteen op nog een andere ergernis: ‘Corspballen waren vaak lastig. We hadden een ontzettend lief publiek, maar als zo’n groep van twaalf ballen binnenkwam en dan begon te zingen, moesten ze er uit. Ook waren ze wel eens vervelend tegen Dirk, een gekleurde jongen, hartstikke aardige man die altijd rustig bleef. Nou, dan begon ik ze eruit te bonjouren. Als het dan hommeles werd, kreeg ik hulp van Dirk, die Nederlands kampioen in een of andere vechtsport was. Dat hielp wel, ja.’

Na verloop van tijd had Primus twee pilzen, vier Belgische en en een Engels bier van ’t vat. Tegenwoordig is dat heel normaal, in de jaren zeventig niet. Westbroek: ‘Dat Engelse bier ging Jan van der Pas zelf halen. Hij bracht ook zo’n mooie engelse tap mee, met zo’n groot handvat. In het begin kon je bij Primus ook nog wat eten, klaar gemaakt door Miep, meestal een daghap in twee varianten. Moest je wel vooraf bestellen. Soms zaten er wel 25 man overal te eten, maar meestal toch niet meer dan vijf of zes. Zuurkool met bierjus en gehaktballen, dat soort dingen. Toen Miep vertrok, was het gedaan met de daghap.’ 

Langzaam zakte de belangstelling, je kon immers ook Belgisch bier bestellen bij zaken als De Carafon, De Zaak, België en De Boon. En ja, Westbroek moest overal zingen over België. Jan Primus ging uiteindelijk failliet omdat het distributiebedrijfje het niet redde. Maar nog altijd is het een prima adres voor een bijzonder biertje in een apart glas.

Will Jansen

Will Jansen is van juni 1949. Hij gaf eind 1977 de brui aan zijn studie Rechten en begon in februari 1978 met Wouter de Cocq Café de Zaak, wat meteen een groot succes werd. In 1981 stapte De Cocq op en begon de Morgenster aan de Oudegracht. Twee jaar later nam Jansen De Twijfelaar aan 't Wed over en noemde het Orloff. In 1989, na vijf jaar bakkeleien met de fiscus, hing hij zijn kroegbaasschap aan de wilgen.
In '93 begon hij van lieverlee te schrijven, vooral over de horeca. Onder meer voor Horeca Journal, Esquire en Miljonair. Voor dat laatste blad maakte hij samen met Alain Caron reportages van tientallen drie sterren restaurants in heel Europa. Will Jansen schreef twee romans die beiden gedeeltelijk in Utrecht afspelen: Coke en Gladiolen (2001) en De Zelftemmer (2018). In 2003 startte hij zijn eigen culinaire magazine Bouillon.
Samen met zijn vrouw Anka doet hij dat nog steeds: elke drie maanden een nieuwe editie. Ze zijn nu 36 jaar getrouwd en hebben twee kinderen, Boye (35) en Didi (33). Zie ook:
https://bouillonmagazine.nl/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *