Alle Tijd

Wielaert ontmoet Giphart “Eerst bier en dan de rest”

In de brouwbrainstorm waaien veel namen op. Brouwerij De Utrecht. De Utrechtse Leeuw, Onder Aan De Dom. De Westelijke Beschaving. Leven In De Brouwerij. Brouwerij Hip Hop. De Drie Tieten. Gistwerk. De Bierkaai. Vat Fundum. Totdat de ware naam valt: Brouwerij Alle Tijd.

‘Yes, goed hè?’ zegt Ronald Giphart op het terras van Café Tilt, ‘Veel van deze namen zijn bedacht door mijn vrienden. Ik heb in mijn vriendenapp gezegd: “jongens, ik heb namen nodig voor mijn brouwerij.” In het echt zijn dat Jerry Goossens, columnist van het Utrechts Nieuwsblad, Bert Natter, romanschrijver, Wilbert Leering, reclameman alhier, Patrick Limpens, scenarioschrijver, Robert Siccama, internetondernemer, Jean-Marc van Tol van Fokke en Sukke en nog wat namen die eromheen satellereen. Ik heb gezegd: “voor iedere naam die ik gebruik geef ik een rondje.” Ik denk dat deze lijst me een stuk of vier, vijf rondjes heeft gekost. Zelf bedacht ik Pals, Craftwerk, de Weduwe. De Drie Tieten heeft Jerry Goossens bedacht.’
Het is onderdeel van de populaire drank die een belangrijke bindende factor is in Gipharts nieuwe roman: Alle Tijd. Hij situeert de brouwerij die een zestal vrienden beginnen aan de Oudegracht, ter hoogte van de Bakkerstraat. Het boek verhaalt van een eeuwenoude werfkelder bij een net zo bejaarde bakkerij, onder de Bakkerburg met de stadskastelen. Dat geeft het iets herkenbaars, goed voor het gevoel: hier is het.

“Bakkers brouwden bier en bierbrouwers bakten ook brood”

De schrijver beaamt dat graag. ‘Ik heb zelf het beeld voor ogen van vroeger van Alfonso’s, een Mexicaans restaurant. Ik werkte af en toe als invaller aan de overkant bij Los Gauchos. Daarnaast zat een veganistisch restaurant, dat komt ook in het boek voer als de Wereldkeuken. Ik vond die link met de Bakkerbrug en de Bakkerstraat interessant, omdat bakkers en brouwers in vroeger tijden één beroep waren. Bakkers brouwden bier en bierbrouwers bakten ook brood.’

Het boek haalt de middeleeuwse geschiedenis op van tal van Utrechtse brouwerijen. ‘Utrecht heeft honderden brouwerijen gehad. Bier was de volksdrank nummer een, omdat water smerig was en omdat bier natuurlijk een bepaalde voedzame waarde had. Bier werd gekookt, dus je kookte alle vieze organismes eruit. Dat betekende dat van kinderen tot oude van dagen iedereen bier dronk. Kinderen dronken klein bier, waar we de uitdrukking vandaan hebben. Je hebt meerdere fases van bierproductie. Je kunt de ingrediënten waarmee bier gemaakt wordt helemaal uitputten, en uiteindelijk blijft een slap bier over die nauwelijks alcohol meer bevat, maar wel gekookt is.’ Een goede bekende van de zes proeft water uit de gracht, toetst dat op de elementen die al in de middeleeuwen bestonden om te testen of het water geschikt was voor brouwen en dat levert ook hét Bier op.

Giphart, glunderend: ‘Juist, het Grachtwater. Dit is authentiek, toen de Rijn nog door Utrechts stroomde. Daar begint mijn boek ook mee. De oude rivier dreigde te verzanden. De handelsbuurt Stathe bestond ook al. Ze besluiten dan om in de buidel te blazen en een kleine gracht aan te leggen tussen de oude Rijn en de Vecht. In vroeger tijden kwam het water aan de zuidkant de stad binnen en dan was het nog redelijk schoon. Dus daar zaten veel brouwerijen. Destijds, heel simpel, als het water doorzichtig was, het stonk niet en het smaakte goed, dan kon je het gebruiken voor bier. Er zit nog steeds doorstroming in de Oudegracht. Als je nu water pakt , (dat heb ik daadwerkelijk gedaan) en het is schoon en het stinkt niet, je moet het niet doorslikken, maar je kan wel de smaak proeven. Dan kun je er bier van maken. Fred Buddingh’ heeft het ook gemaakt, uiteindelijk.’

“Mijn verhaal is in de verte gebaseerd op het verhaal van heel veel startende bierbrouwerijen”

Hier laat Giphart zich zien als een ware biergourmand. ‘Jazeker. Dat heeft ook met de biergeschiedenis van Utrecht te maken. Ik ben goed bevriend met Erik Odenwald van De Leckere. Mijn verhaal is in de verte gebaseerd op het verhaal van heel veel startende bierbrouwerijen, waar De Leckere er een van is. Jongens en meisjes die vanuit vriendschap een bierbrouwerij beginnen wat een beetje uit de hand loopt. Ik heb toevallig met een van de brouwers van De Leckere, Eric Trapman bij hem thuis bier gebrouwen en dat met een stel vrienden in Café Brun opgedronken. Zit daar een grote stevige vent aan de bar. Hij bleek toevallig een passant te zijn die op het Neude z’n brouwerij heeft, in een huisje: Brouwerij Nooitgedacht. Dat vind ik zo fantastisch, omdat het bij Utrecht hoort, dat daar aan de bar een gezette jongeman zit met zijn eigen bier.’

“Utrecht is echt een bierstad, dat is al vanuit de middeleeuwen zo”

Het bier van Alle Tijd heeft veel smaken. Zo is ook met de bieren van Utrecht. ‘Bier heeft misschien wel een grotere rijkheid dan wijn. Ik heb het mezelf ook als schrijver moeten leren. Iedere bierdrinker begint met pils, gewoon fabriekspils van een megabrouwerij. Dan ontdek je speciaal pils, dat is vaak ook gewoon fabriekspils. En langzamerhand ontdek je craftbier en craftbier is dus inderdaad bier waar persoonlijkheid in zit. Recepten die niet makkelijk zijn na te koken. Dat is een kunst de mensen echt onder de knie hebben. Een gave ook. We kunnen hier zo naar de Biltstraat lopen, daar zit Berts Bierhuis, echt fantastisch. Er zijn nieuwe bierbrouwers als VandeStreek, De Leckere, De Rooie Dop, Maximus. Utrecht is echt een bierstad, dat is al vanuit de middeleeuwen zo. Er waren toen twee grote biercentra: Amersfoort en Utrecht. Delft was ook een biercentrum, maar Utrecht spande de kroon.’

“Utrecht is een ongelooflijk totale stad, eigenlijk de ultieme Nederlandse stad”

Het boek is een nieuw bewijs van loyaliteit aan de Domstad. Giphart woont er sinds 1986.
‘Utrecht is mijn stad. Het is de vierde stad van het land. Ik heb een boek gemaakt, Stad van Zachte Idioten, naar een regel van CCS Crone, een van de grootste Utrechtse schrijvers met verhalen over Utrecht. Mijn boek gaat over een groep, met een groepspersoonlijkheid. Steden hebben ook een stadspersoonlijkheid. Je hebt Amsterdam wat een fascinerende persoonlijkheid is, maar goed van zichzelf weet hoe interessant Amsterdam is. Ik ben geen tegenstander van Amsterdam. Ik vind Amsterdam oprecht een geweldige stad, waar we ook echt trots op mogen zijn hoe ontzettend mooi de geschiedenis en de huidige tijd daar door elkaar lopen. Ik snap waarom Amsterdam zo ontzettend aantrekt. Dan heb je Rotterdam, wat meer een verongelijkte stad, lijdt aan een second-city-syndrome, een stad waar het geld verdiend wordt wat in Amsterdam wordt uitgegeven en de eeuwige strijd tussen de twee voetbalmachten. Dan hebben we Den Haag, een gereserveerde stad, een stad met twee gezichten eigenlijk: de ambtelijke kant en de Volkskant, waar het af en toe enorm tussen botst. Niet voor niets is in Den Haag de grootste Nederlander aller tijden samen met zijn broer door het gepeupel uit elkaar getrokken, Johan de Witt. En dan hebben we Utrecht, letterlijk de vierde stad. Utrecht is klein-Amsterdam, klein-Rotterdam en klein-Den Haag bij mekaar. Het is een ongelooflijk totale stad, eigenlijk de ultieme Nederlandse stad.’

Dan laat hij het sextumviraat van vrienden wonen in de Jan-Pieter van Spilbergenstraat die in Amsterdam wel bestaat, maar in Utrecht geheel niet. Verbaasd: ‘Oh ja, bestaat-ie in Amsterdam wel? Dat heb ik niet nagezocht. Echt waar? Okay. Ik dacht dat ik die naam bedacht had. Het is een combinatie van meerdere straten. Het is een studentenhuis in de Goedestraat, gecombineerd met een studentenhuis in de Monseigneur van de Weteringstraat, (die is het eigenlijk echt) en een studentenhuis in de JP Coenstraat. Dat was in mijn persoonlijke leven een nogal belangrijke straat, want daar woonden al onze vriendinnen van mijn vriendenclub in een huis. We waren heel vaak in de JP. Daar komt de samenvatting vandaan en ik vond het zo mooi om een straat samen te vatten tot een paar letters. Die JP Coen is een naam die nu eigenlijk niet meer mag volgens de geschiedenis, want het was ook een zeerover, of een kolonialist, zoals allemaal die Nederland groot gemaakt heeft.’

“Dat stukje van de HEMA tot de Stadhuisbrug vind ik de mooiste plek van Nederland”

‘Ik schep archetypes. Er komt een eeuwige student in voor, een Café dat ook niet bestaat aan de Oudegracht, De Sidonia, schuin tegenover de Bakkerstraat. Café de Nagel is het oude café De Vooghel. Het zijn Utrechtse iconen. Die Sidonia is eigenlijk wat vroeger Lambik heette en dat zit weer naast Flater, waar ik zelf als barman heb gewerkt. Ik ken die plek heel goed. Toen ik in Utrecht kwam te wonen en te werken bij Gauchos stond ik op mijn eerste werkdag met Co Mol, de manager (nog steeds een goeie vriend) en die zei: “Moet je kijken hoe mooi die gracht is. Je hebt eerst het water, dat is het eerste niveau. Je hebt de kade, daar staan we nu, dat is het tweede niveau. Dan heb je een gebouw, dat is de werf en op het dak van dat gebouw loopt een straat en dan heb je een stoep en dan heb je een huis.” Daar had-ie gewoon gelijk in. Dat is uniek voor de wereld. Die schoonheid. Letterlijk, dat stukje van de HEMA tot de Stadhuisbrug vind ik de mooiste plek van Nederland.’

Jonas de acteur.
Luciën de lijkensnijder.
Mike de dienstweigeraar.
Berend de Beer.
Voorlopig de laatste Cola.
Een goeroe genaamd Gregor.
Dat is Gipharts gilde. Eerst was er het bier, daarna de brouwerij.
‘Zeker. Er is eerst saamhorigheid, eerst de nachten doorgaan. Wij kennen elkaar ook uit het Utrechtse nachtleven en iedereen die daarin verzeild is geraakt, kent die verslavende werking ervan. ’s Middags uit je bed komen, naar de stad gaan met vrienden, steeds andere nieuwe vrienden, drinken, ’s nachts in je bed rollen en de volgende middag herhaalt het zich weer. Eerst het bier en dan de rest.’

“Dat Berlijn was hun Parijs. Mei ’68, overgedaan en alsnog beleefd in ’89”

De vriendenclub gaat naar Berlijn in de hectische dagen van de val van de Muur, 9 november 1989. Dat is een goed historisch gegeven in de roman, vlak voor de dertigste herdenking van die wereldhistorie.
Verrassend antwoord op de vraag aan de auteur of hij het exact uit herinnering heeft opgeschreven: ‘Ik ben er niet geweest. Mijn hele huis is geweest. Ik woonde aan de Van Hoornekade, een studentencomplex met negen man. Acht daarvan zijn in twee auto’s naar Berlijn gescheurd en ik ben de enige die niet mee is gegaan. Ik had een totaal onbelangrijk college, of een tentamen en ik heb het ook gewoon niet aangedurfd. Dus ze kwamen terug een paar dagen later met brokken steen en schor van het schreeuwen en het zingen en het neuken en alles. Ik heb dat allemaal niet meegemaakt. En dit is mijn verschrijving om er toch bij te geweest te kunnen zijn.’

Dat Berlijn was hun Parijs. Mei ’68, overgedaan en alsnog beleefd in ’89. ‘Wij waren ons heel erg bewust dat de generatie voor ons de wereld had veranderd middels Parijs. Uiteindelijk mislukt, maar zo deden ze het niet aan ons overkomen. Seksuele revolutie, democratisering, nivellering van inkomsten, de wereld moest anders worden. Wij hebben de zure vruchten ervan geplukt. Die generatie voor ons had nog een soort toekomstperspectief dat de wereld beter ging worden. Ons toekomstperspectief was dat de wereld zou vergaan. De Bom zou vallen. Alles grauw, alles doem, alles cynisch. Plotseling, op een dag in november ’89 veranderde dat perspectief. De Muur viel. Het gevolg was een decennium, de jaren negentig, waarin plotseling een soort ideologische vrijheid heerste, waarin paars aan de macht kwam, waarin het economisch voor de wind ging. Dat was onze Hay Day. Er heerste een ongelooflijk ontspannen sfeer in retrospectief. Erop terug kijkend, de jaren negentig ook in Utrecht. Wat een heerlijke ontspannen tijd was dat.’

De Zes gaan naar Florida, komen terecht in Key West, bekend van Ernest Hemingway, de Sloppy Joe’s, Duval Street. Ze raken snel zonder geld en krijgen een baantje in een bar en brouwerij, de Dry Tortugas Speakeasy, met een keur aan opwindende zelf gebrouwen biertjes, zoals Dutch Courage Ale en Eternal Youth Stout.

‘Die bar heb ik bedacht, die biertjes ook. Ik had een lijst hangen, om de dag kwam er een biertje bij. Ik ben er voor research naartoe gegaan. Ik kende de Keys uit boeken en verhalen, uit films en boeken van Hemingway, hoewel hij niet concreet veel over de Keys heeft geschreven. Het stond op de verlanglijst. Vorig jaar zomer heb ik er twee weken gezeten, met zijn drieën, onze jongste zoon erbij.’

In het Brouwerijverhaal nam Giphart de kennis mee over een bieroorlog tussen Florida en het grote bierconcern Miller dat koos voor een naburige staat. Er kwamen bierwetten dat je geen brouwerij mocht beginnen, behalve als je een café had. Giphart hoorde het verhaal van bekenden die in Florida bierbrouwen geleerd hebben. Hij kon het gebruiken voor het boek.
Net als het verhaal van dichter bij huis, over de totaalweigeraar en zijn adviseur in het dienstweigeraarscollectief in de ACU aan de Voorstraat. Deze Mike ontwikkelt zich tot een somberman in het nieuwe brouwerscollectief.

Hij maakt deel uit van wat een ons-verhaal is, waar een ik-verteller volkomen ontbreekt. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk om Giphart zelf erin te ontdekken. ‘Wij-vertellingen zijn op de vingers van een hand te tellen. Ik heb hem niet geïntroduceerd, hoewel dat wel in een recensie stond. Het is een vrij onmogelijk perspectief. Als lezer denk je voortdurend: “wie is die wij eigenlijk.” Dat Berlijn was hun Parijs. Mei ’68, overgedaan en alsnog beleefd in ’89. Ik heb een jaar nodig gehad om het onder de knie te krijgen.’

“Vriendschap is toch een soort ondergeschoven kindje in de literatuur”

Het voortdurend zoeken en herschrijven droeg er toe bij dat Giphart langer over de roman deed dan alle vorige. Met Robert Jan Westdijk, de Utrechtse filmer keek hij naar de plot, naar volgordes, naar perspectieven. Het was een worsteling, bloeden om zes personages levend te krijgen en ze levend te houden. Ze moesten allemaal even belangrijk zijn.’ Het thema vriendschap is in de mode, gelet op de vriendengroep van Bert Wagendorp in Ventoux en Ferrara. Het is de essentie van Alle Tijd. Giphart pakt hierbij uit met een reeks filosofen, Aristoteles, Ovidius, Montaigne, Kierkegaard, Nietzsche. Citaat: ‘Volgens Kierkegaard zijn mensen voornamelijk bevriend om samen te lachen en de wereld belachelijk te maken. De Romeinse dichter Ovidius gebruikte hiervoor het begrip ludus, vriendschap als een vrolijk creatief spel van uitdagingen en lichtzinnigheid. De onstuimigheid die vriendschap smeedt, Vriendschap die volgens Nietzsche overigens helemaal niet bestaat.’

Giphart filosofeert: ‘Ik wilde echt specifiek over vriendschap schrijven. Ik tel maar een of twee boeken waarin het specifiek over vriendschap gaat. Boeken over liefde kun je met kruiwagens aandragen. Vriendschap is toch een soort ondergeschoven kindje in de literatuur. In heel veel boeken zijn de gebeurtenissen die de verhalen voortjagen vaak de liefdesverhalen. Ik wilde me concentreren op de vriendschap. Omdat sommige van de groep nogal bezig zijn met wat erover geschreven en gedicht is vond ik het leuk om op te schrijven wat Kierkegaard ervan vindt, of Nietsche.’

Zo wordt de wij geen veelkoppig monster, maar is wel gecompliceerd. Giphart wilde het zo rijk mogelijk laten zijn. Bier is in dit alles meer dan bier, als afspiegeling van persoonlijkheden. ‘Daar kan je dus over discussiëren. Eigenlijk gaat het over kunst en over schrijven. Is nou kunst een middel om je persoonlijkheid te etaleren, of maak je een boek ter lering en vermaak? Hoort het bij je persoonlijkheid, of maak je een product? Mike is heel erg van de school dat-ie net als een chef-kok zijn ziel en zaligheid in een gerecht legt en daarmee zichzelf etaleert. Je hebt ook chef-koks die zeggen: “Je moet niet lullen, je moet gewoon iets klaarmaken wat de mensen lekker vinden en voedzaam”. Aanvankelijk trekken ze gelijk op, maar botst het op een gegeven moment dusdanig dat het een scheuring wordt in de brouwerij.’

“Een mondiale crisis betrekken mensen op zichzelf, alsof je eigen leven zich in een crisis bevindt”

Vrouwen krijgen hun geheel eigen rol. Vriendinnen met wie het wel of niet goed gaat. Moeders die een financieringscollectief vormen voor de brouwerij. Een vriendin die een relatie aangaat met een van de moeders. Het is geen puur mannenboek.
‘Nee, dat is een beetje een valkuil met een boek over vriendschap. Dat je van die buddy-buddy-boeken krijgt. Ik wil niets onaardigs zeggen over dat soort films, of boeken, maar dat vind ik wel een valkuil, ook behoorlijk oninteressant. Dus ik wilde een vrouwelijke lijn erin hebben. Die vond ik met de clubs van moeders die er wel geld in steken.’

Er breken fatale jaren aan. In 2001 is een van de vrienden terug gevlogen naar Florida om een kind op te zoeken, vrucht van een kortstondige verhouding in Key West. Hij is in de States als op 11 september de twee vliegtuigen de Twin Towers binnen vliegen Dat valt allemaal samen met trieste gebeurtenissen in de vriendenkring. ‘Het heeft te maken met een solipsistische manier van naar de wereld kijken. Een solipsist denkt dat de wereld eigenlijk alleen in zijn hoofd bestaat. Als het Nederlands Elftal speelt en jij gaat naar het toilet, omdat je zeker weet dat er gescoord wordt. Dat slaat natuurlijk nergens op slaat, alsof iemand in Rotterdam of in de Arena zich bezig houdt met het feit dat jij naar het toilet gaat, maar als jij dat werkelijk denkt heb je een solipsistisch wereldbeeld. Dat is erg onvolwassen, maar heel veel volwassenen hebben dat nog. Een mondiale crisis betrekken mensen op zichzelf, alsof je eigen leven zich in een crisis bevindt.

9-11 heeft hele maffe gevolgen gehad. De weken na 9-11 waren er bijna geen zelfmoorden, want mensen wilden toch nog blijven leven om te kijken hoe dit ging aflopen. In de maanden daarna steeg het zelfmoordpercentage weer juist, ook omdat de wereld in turmoil raakte en we zitten weer in een turmoil. Ik had het er met mijn vrouw over: “wat is er in de wereld aan de hand?” Nou, er is op zich niks anders in de wereld aan de hand dan altijd, alleen het lijkt wel vanwege de berichtgeving alsof het steeds erger gaat worden. Allemaal dingen waar wij in Utrecht helemaal niks mee te maken hebben, wat ons leven heel zijdelings wellicht een beetje kan beïnvloeden. Die Gregor zit in Amerika op het moment dat de Twin Towers vallen en dat valt samen met een ontwikkeling in zijn eigen leven, namelijk dat zijn vriendin er een nieuwe partner op na blijkt te houden die ook nog aan de geschiedenis van de groep verbonden is. Dat geeft behoorlijk wat storm.’

Het wordt volwassener, met alle ellende van dien. De dood treedt binnen in de brouwerij. ‘Ja, dode kinderen, ziekte, kankergezwellen, het leed van het leven daalt in in de groep. Vriendschap onderhouden als de zon schijnt is niet zo heel erg moeilijk, maar vriendschap onderhouden in tijden van zware regenval, sneeuwbuien, onweer, dan laat zich de kracht van vriendschap gelden. Dus ik wilde mijn personages in een positie brengen dat er een appel wordt gedaan op die vriendschap. Dat ze er voor elkaar moesten zijn, of niet.’

‘Vrouwen zijn betere mensen dan mannen, dat kunnen we zonder enige terughoudendheid zeggen”

Dan zijn vrouwen empathischer dan mannen, hoewel mannen toch ook empatischer blijken dan gedacht.
‘Vrouwen zijn betere mensen dan mannen, dat kunnen we zonder enige terughoudendheid zeggen. Alleen op het moment dat het heftig wordt en de ziekte toeslaat, de dood gloort en ze met z’n allen in een hospice moeten gaan zitten om de uitlui van een van hen te begeleiden, komen er krachten los die ze aanvankelijk ook niet hadden vermoed. Dan wordt het heel erg liefdevol, heel erg vriendschappelijk.

Ik heb mezelf terug getrokken in een hutje in Garderen om die scènes te schrijven. Dat waren toch diepe, zware scènes. Even weg uit Utrecht, weg van de hectiek, even in het bos terugtrekken, zonder internet, zonder telefoon, om in vijf dagen tijd die slotscènes te schrijven. Toen een van de hoofdpersonen stierf in het boek, zat ik ook te janken in het bos. Dat had ik ook echt nodig. Die scène waarin ik moest janken heb ik toch geschrapt. Ik maak meerdere versies en ik wil dat de lezer ontroerd raakt. Soms kan je eigen ontroering in de weg zitten en dat gebeurde in dit geval.’

In de podcast is het integrale interview van Giphart en Wielaert te beluisteren.

Jeroen Wielaert

Jeroen Wielaert is eminent programmamaker van NPO-radio en in de stad beter bekend als de man die de aanzet deed voor de komst van Le Grand Départ naar Utrecht. Voor De Nuk schrijft hij op regelmatige basis over opvallende Utrechtse zaken.

Eén reactie

Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *