Een lezer van De Nuk is ongevraagd onderdeel van het Lustrum van het USC. Dat betekent dagenlang overlast maar ook een interessant inkijkje in het brein van de corpsdames. Over gasten die nog in hun bed pissen en leden die stiekem homo zijn.

Wanneer die gevreesde witte briefjes door de brievenbus glijden, breekt het angstzweet je spontaan uit. In onze buurt zijn deze vodjes papier namelijk geen vriendelijke uitnodiging, maar een unilaterale oorlogsverklaring. Het is de officiële aankondiging dat de lokale corpsballen weer een collectieve aanval op het trommelvlies hebben gepland. De teksten op deze pamfletten zijn een meesterwerkelijkheid in passief-agressief management-jargon. Termen als circaonder voorbehoudwat meer gezelligheid en geluidsoverlast sieren het papier, steevast afgesloten met een dwingend en volstrekt misplaatst dank voor jullie begrip. Vertaling: wij gaan herrie maken, u houdt uw mond. Dergelijke teksten doen altijd het ergste vermoeden.

Vorige week bereikte de terreurdreiging een nieuw hoogtepunt. De briefjes aangaande de viering van het lustrum van het Utrechtsch Studenten Corps (USC) vielen op de mat. Looptijd: van 11 tot en met 22 juli. Tien. Hele. Dagen. Een soort elfstedentocht, maar dan voor gehoorschade en leverfalen.

Rond de klok van elf in de ochtend stroomt de tuin van de buurjongens al vol met de toekomstige leiders van ons land. De soundtrack van de dag start direct. Eerst nog op een niveau dat je met heel veel goede wil ‘acceptabel’ zou kunnen noemen. Maar naarmate de biertjes openploppen, stijgt het volume van de JBL-box evenredig met het collectieve drankpercentage. Wanneer je vervolgens over de schutting hangt om te vragen of het ietwat zachter mag – puur omdat je in je eigen tuin probeert te communiceren met de huisschilders – stuit je op een muur van diepgaande corps-logica. “Niet zeuren, het is ons lustrum!”, klinkt het beschaafde weerwoord.

‘Ik stond twee uur geleden nog te barfen!”, tettert er één elegant over het terras’

Rond drie uur ’s middags zet de meute zich in beweging. Ik slaak een diepe zucht van verlichting. Begrijp me niet verkeerd: ik zeur niet. Studentenfeestjes en teringherrie horen bij elkaar zoals corpsballen en een spraakgebrek; dat is de natuurwet van de universiteitsstad. Dus ik pak mijn boek en installeer me resoluut in de tuin.

Eindelijk rust? Absoluut niet. Er is een zorgvuldig geselecteerd handjevol corpsdames achtergebleven om op stand te ‘uitbrakken’. Hun stembanden blijken de alcoholische verwoesting van de nacht wonderwel te hebben overleefd. “Ik stond twee uur geleden nog te barfen!”, tettert er één elegant over het terras. Subtiel converseren is er niet bij; de dames praten alsof ze een vol voetbalstadion moeten toespreken. Het volume is zodanig dat ik het gevoel krijg dat ik live de audioversie van de Story  zit te luisteren, met de Utrechtse verenigingstrutjes als voltallige redactie.

De namen die over de schutting vliegen zeggen me aanvankelijk weinig, maar de sociologische analyses zijn van academisch niveau. Het gaat over “hele lelijke, kleine jongens die wel heel aardig zijn – tja, ze moeten wel”. Over “gasten die nog in hun bed pissen” (altijd charmant, die toekomstige chirurgen en advocaten) en over leden die “stiekem homo” zijn.

O. is blijkbaar te dik en heeft tieten die schommelen als hij loopt

En dan valt de naam van G. Die ken ik wel; dat is mijn buurjongen. Mijn boek verdwijnt direct op schoot. Dit is betere fictie dan welke literaire thriller dan ook. G. blijkt volgens het eminente panel nogal fruity te zijn. Voor de niet-ingewijde burger volgt direct de medische uitleg: “een beetje verwijfd en zó ijdel”. Buurjongen O. passeert vervolgens de slachtbank. O. is blijkbaar “te dik en heeft tieten die schommelen als hij loopt”. W. komt er daarentegen genadig vanaf. W. is best wel knap: “Die zou ik wel willen doen.” Je zult het maar op je cv mogen zetten.

De dames zijn echter nog lang niet uitgeroddeld. Na de heren zijn de collega-studentes aan de beurt, want zusterschap kent immers zijn grenzen. De genadeloze pikorde van de vereniging wordt haarfijn uitgelegd: er zijn “hele knappe meisjes die arrogant mogen doen omdat ze zo knap zijn”. En de rest? “Lelijke meisjes moeten gewoon wat beter hun best doen.”

“Als er een dikke in de trein naast je komt zitten, is dat heel vervelend, ze stinken ook vaak”

En nog een algemene klacht: Waar ze echt een hekel aan hebben zijn dikke mensen. “Als er een dikke in de trein naast je komt zitten, is dat heel vervelend, ze stinken ook vaak”. Maar behalve dik zijn is er nog iets dat erg onaantrekkelijk is: puistjes!

Ik heb genoeg gehoord van onze intellectuele elite en lees verder in mijn boek. Over een paar jaar komen we ze tegen in hun spreekkamer of gehuld in een toga in de rechtbank. Het thema van de lustrumweek is d’Artagnan, wiens grootste kracht bleek te liggen in de vriendschap. Zijn devies was: ”Eén voor allen, allen voor één”. Ik denk dat de dames hier weinig van hebben meegekregen tijdens de viering van het lustrum.

De beruchte briefjes.