Top 10 fictie:
- Al het blauw van de hemel / Mélissa Da Costa
- Waar de zon de sneeuw raakt / Mélissa Da Costa
- Hoe overleef ik alles wat anders gaat dan gedacht? / Francine Oomen
- Oroppa / Safae el Khannoussi
- Wat we kunnen weten / Ian McEwan
- Er stromen rivieren in de lucht / Elif Shafak
- De brievenbezorgster van Puglia / Francesca Giannone
- Als de wolven huilen / Kristin Hannah
- The wedding people (Nederlandse editie) / Alison Espach
- Onder vrienden / Linea Maja Ernst

Top 10 non-fictie:
- Boustany / Sami Tamimi
- Veggilaine / Ghislaine Voogd
- The let them theory (Nederlandse editie) / Mel Robbins
- Dingen die je hoop geven / Haemin Sunim
- De fonkelnieuwe QuizPuzzels / Tex de Wit en Thomas Swierts
- Wisselwachter – Amerika – Europa 1933-1945 / Geert Mak
- Reizen is onzin / Frank Heinen
- Geboren in Utrecht – herinneringen van Utrechters / Jos van Sambeek
- Berghonger / Fleur Jongepier
- Geweten – over Israël en Palestina / Maurits de Bruijn

BROESE TIP
De haha, Jennifer Dawson
In april van dit jaar werd De haha van Jennifer Dawson (1929-2000) heruitgegeven bij Thomas Rap (vertaald door Arie Storm). Het origineel kwam in 1961 uit in Engeland. Dawsons romandebuut werd bekroond met de James Tait Black Memorial Prize. Het semi autobiografische boek gaat over Josephine, een 23-jarige vrouw die na een tijd in Oxford te hebben gestudeerd wordt opgenomen in een psychiatrische instelling die veel weg heeft van een vesting. Tijdens haar studie had Josephine grote moeite met het volgen van ongeschreven regels onder de Oxonians en ook lukte het haar slecht te voldoen aan de sociale verwachtingen en verplichtingen in die kringen. Haar eigenschap om op ongepaste momenten op een abnormale manier te hard en te lang te lachen, maakt dat ze zich in wat ze ‘de buitenwereld’ noemt, totaal niet op haar gemak voelt. Ze voelt zich wel thuis in de instelling. Als ze na veel wikken en wegen naar een feestje van een oude medestudent gaat, zegt ze over dit uitstapje na afloop: “Ik vroeg me af welke woorden de woorden waren, de dingen die iets droegen, de woorden die ertoe deden en die je kwalificeerden voor de wereld van andere mensen.”
De titel van het boek verwijst naar een verborgen muur die staat in een droge gracht, om de patiënten binnen het terrein van de instelling te houden, zonder het zicht op het landschap eromheen te beperken. Deze plek is de grens tussen de voor Josephine veilige binnenwereld van de instelling en de buitenwereld, waar ze de enige lijkt te zijn die de regels die daar gelden niet snapt. Naast haar tic om op ongemakkelijke momenten oncontroleerbaar te lachen, ziet Josephine de ‘normale’ mensen in haar leven als beesten, of ze vergelijkt ze ermee. Hiermee draait Dawson op een slimme manier de gangbare ideeën over wat normaal is om, gezien het feit dat psychiatrische patiënten in (het begin van) de 20ste eeuw vaak gezien en behandeld werden alsof ze meer dier dan mens waren. Zowel elektroconvulsietherapie (zonder verdoving) als lobotomieëen waren nog gangbaar in de psychiatrische praktijk van de jaren ’50 in Engeland, soms zonder instemming van de patiënt.
Dawson zou later zelf in een psychiatrische instelling gaan werken en haar eigen ervaring als patiënt op een vergelijkbare plek zorgt voor een empathisch en indringend portret van Josephine. Het is een onconventioneel coming-of-ageverhaal, in de traditie van (semi)autobiografische portretten van vrouwen in psychiatrische instellingen. De haha past tussen Het luik van sneeuw (1930) van Emily Holmes Coleman, De Glazen Stolp van Sylvia Plath (1963) en Paviljoen 3 van Bette Howland (1974). Dawson laat de lezer kritisch kijken naar wie er nou eigenlijk ‘gek’ is en hoe moeilijk het kan zijn om dit op een objectieve manier te beoordelen. Is de waanzinnige de patiënt die zich niet aan de maatschappelijke conventies kan of wil houden, of is het juist de maatschappij die deze conventies opdringt? (Rozemond Natter)

Laat uw reactie achter
Reactie