De Noren zijn de gelukkigste mensen op aarde, lees ik. Kan zijn, maar merken laten ze het niet.
Neem Noorse misdaadseries. Alles kommer en kwel, nooit een lachje. Natuurlijk, het gaat om serieuze kwesties, doorgaans om moord. Maar toch, zo nu dan een grapje zou niet gek zijn. Nee dus.
In datzelfde bericht scoren Engelsen qua geluk flink lager. Maar lachen doen ze waarschijnlijk meer.
Misdaadseries werden destijds razend populair dankzij Morse, de arrogante, vaak sacherijnige politie-inspecteur die maar niet aan de vrouw kon komen. Mooi gefilmd, goed gespeeld, met echte muziek om de spanning op te voeren, in plaats van het nare elektronische gepiep en gebrom van tegenwoordig. En met humor: Morse die in de kroeg zijn assistent Lewis altijd weer laat betalen, etc.
Met misdaad heb ik enige ervaring. Als zestien-, zeventienjarige ging ik ’s nachts in Zwolle op rooftocht. Van de puien van winkels, garages en cafe’s stal ik grote emaille reclameborden. Om bij de bovenste schroeven te komen moest ik soms m’n fiets tegen de muur zetten en dan balanceren op de bagagedrager. Bloedspannend.
Onze zolder – waar mijn ouders zelden kwamen – hing er op het laatst vol mee: Douwe Egberts, Martini (met thermometer), Heineken, Hofnar, Continental, Bols (elke dag een glaasje), etc. Het zag er echt geweldig uit.
Zo heb je iets, zo heb je niets.
Een rechercheur betrapte me. Mee naar het bureau; een uurtje later naar huis gestuurd. De zolder was de volgende dag weer kaal, een rot gezicht.
Ontboden bij de officier van justitie, mr. Brantjes. Die kende ik toevallig een beetje. Hij was de vader van mijn vriend Klaas.
Welke straf zou hij voor me in gedachten hebben? Ik kan me niet herinneren of ik erg zenuwachtig was.
Brantjes woonde in Hattem, het forensenstadje aan de overkant van de IJssel. Met de bus ging hij naar zijn werk, en onderweg vermaakte hij zijn mede-reizigers met gezang. Er waren mensen die zich daarover verwonderden.
Het classistische gebouw waarop een postmoderne architect een enorme ballon liet neerkomen is nu museum De Fundatie, maar was toen de rechtbank. Daar sprak Brantjes mij vaderlijk toe. Hij dacht dat het allemaal kwam omdat ik mij op school verveelde (ik kon inderdaad een stuk makkelijker leren dan zijn zoon). De kans op recidive leek hem klein, en daarom kwam ik er met een standje vanaf.
Hoeveel nachten zou die rechercheur de stad rondgefietst hebben om mij te pakken? En hoe was het voor hem om te horen hoe het mij bij Brantjes was vergaan?
Ik kom hierop door het bericht dat de Tweede Kamer de straffen voor jongens die politie en hulpverleners terroriseren wil verdriedubbelen.
Misschien gaat dat wel wat schelen.
Mijn ouders lieten de opvoeding van mijn broer en mij vrijwel helemaal aan onszelf over. Bij Onno had dat geen negatieve effecten. Hij was zeer gedisciplineerd. Uit school maakte hij altijd meteen zijn huiswerk.
Bij mij had het absoluut uitgemaakt als mijn vader- een nachtmens – me direct na het begin van mijn strooptochten had gevraagd naar de oorsprong van de spullen waarmee ik thuiskwam.
Een tip voor de ouders van overlast veroorzakende jongens: bemoei je er een beetje mee.
Laat uw reactie achter
Reactie